Zwijgen over ritueel misbruik

PDFPrintE-mail

Zwijgen over ritueel misbruik

Psy, juni 2009

In Nederland zijn naar schatting honderden volwassen in therapie omdat ze als kind ritueel zouden zijn misbruikt. Hulpverleners die hen behandelen praten daar liever niet over. Mijn kop wordt er afgehakt als ik mijn mond opendoe.’

Door Ditty Eimers

Het is alweer zo’n twintig jaar geleden dat talloze vrouwen in de media kwamen met  verhalen over satanische sektes die baby’s bij hen hadden verwekt, geaborteerd en opgegeten. De zaak Oude Pekela, Jolande uit Epe, de Bolderkaraffaire: de media doken erop met de gebruikelijke gretigheid wanneer seks, sadisme en sensatie in het spel zijn.  De mediahype doofde als een nachtkaars uit, toen bleek dat voor de gruwelijke verhalen geen enkel forensisch bewijs te vinden was. Maar op internet is nog steeds een stille oorlog gaande. Een oorlog tussen believers en non-believers. De verhalen van de believers, die tot in de meest bizarre details uitweiden over babymoorden, dierenoffers, kannibalisme en duivelsverering in georganiseerde netwerken, klinken naar totale paranoia. Ongeloofwaardig? De rauwe werkelijkheid gaat het verstand nu eenmaal te boven, zeggen ze. Kijk maar naar Dutroux. Maar waar zijn al die babylijkjes gebleven? En hoe kunnen de tientallen georganiseerde cults waarover zij spreken ongestoord hun gang gaan in het dichtbevolkte Nederland?

Ook de heftigheid van de non-believers roept vraagtekens op. Zij zien internationale complotten van hulpverleners, die hun patienten opzadelen met een gruwelijk, verzonnen verleden. Waarom zouden hulpverleners dat doen? Zitten ze zo om werk verlegen, dat ze hun cliënten willens en wetens een levenslang trauma aanpraten en zichzelf veroordelen tot zware en vaak uitzichtloze therapieën?

 Niet in de openbaarheid

Ondertussen zijn in Nederland naar schatting honderden volwassenen in behandeling, omdat ze als kind slachtoffer zouden zijn van ritueel misbruik. Vaak komen ze binnen vanwege angstklachten, suïcidaal gedrag of eetstoornissen. Herinneringen aan misbruik in de kindertijd komen pas tijdens de therapie boven, bij stukjes en beetjes. Vrijwel altijd gaat het om mensen die dissociëren: hun persoonlijkheid zou zich hebben gesplitst in meerdere ‘alters’. Een in de psychiatrie erkende, maar nog altijd omstreden stoornis, die vroeger MPS werd genoemd. De behandeling duurt vaak jaren. De meeste psychotherapeuten zwijgen erover als het graf. Ze vrezen hun reputatie te grabbel te gooien.

‘Mijn kop wordt er af gehakt als ik mijn mond opendoe’, zegt een therapeut die onder geen beding in de openbaarheid wil. Hij is niet de enige. De angst om afgebrand te worden door vakgenoten, zit diep. Enkele therapeuten, die Psy benaderde, spreken over een anti-lobby, aangevoerd door de Maastrichtse hoogleraren psychologie Merkelbach en Krombach. In hun boek ‘Hervonden herinneringen en andere misverstanden’ (1996) maakten zij gehakt van psychotherapeuten die (vermeende) slachtoffers van ritueel misbruik behandelen. Zij richtten hun pijlen vooral op het verschijnsel van de hervonden herinneringen. Voor het bestaan daarvan is geen enkel wetenschappelijk bewijs, schreven zij. Waarom zou ritueel misbruik wel en langdurig verblijf in een concentratiekamp niet tot verdringen van herinneringen leiden? Ook dissociatie zou een verzinsel zijn van psychotherapeuten. Technieken als hypnose zouden leiden tot pseudoherinneringen, met ernstige gevolgen. Want niet alleen kregen vermeende slachtoffers een gruwelijk verleden aangepraat, ook hun valselijk beschuldigde familieleden werden kapotgemaakt. 

 Tot dader gemaakt

Het is niet alleen de ‘anti-lobby’ die therapeuten kopschuw maakt. Sommigen zijn ook beducht voor zogenaamde spijtoptanten. In de Verenigde Staten, waar ritueel misbruik in de jaren negentig epidemische vormen aan nam, brachten ex- cliënten hun therapeuten aan de rand van de financiële afgrond. Eerst hadden ze met steun van hun therapeut aangifte bij de politie gedaan van ritueel misbruik. Vervolgens draaiden ze om als een blad aan een boom en beschuldigden hun behandelaar van het aanpraten van misbruik. Verschillende praktijken zijn failliet gegaan omdat ze miljoenen dollars schadevergoeding moesten betalen.

Psychologe Carla Hamoen is daar niet bang voor. Hamoen, die werkt vanuit een christelijke levensvisie, heeft zich gespecialiseerd in hulpverlening aan mensen die zeggen ritueel misbruikt te zijn. Voor haar bestaat er geen spoor van twijfel: ritueel misbruik bestaat. Ze noemt haar cliënten consequent ‘overlevenden.’ Talloze rode gevarendriehoeken op haar website waarschuwen bezoekers voor ‘triggers’ die herinneringen en emoties van misbruik zouden kunnen losmaken. Wekelijks ziet ze zo’n veertien cliënten. Die vormen slechts het topje van de ijsberg, zegt ze.

Hamoen denkt dat het mogelijk is dat duizenden mensen slachtoffer zijn van satanische cults. Dan heeft ze het alleen over Nederland.

‘Het valt moeilijk te bewijzen, maar ik betwijfel of bij Justitie geen bewijzen bekend zijn van ritueel misbruik. Het probleem is dat er zoveel druk wordt uitgeoefend op slachtoffers , dat het geheim zorgvuldig bewaard blijft.’

Sommige cults zouden te maken hebben met georganiseerde misdaad en kinderpornohandel. Hamoen gelooft dat slachtoffers door mind control technieken van satanische cults worden gestuurd. ‘Mensen die zich proberen los te maken van de cult, worden steeds teruggeroepen naar plaatsen waar het misbruik plaatsvindt. Ook worden ze soms gedwongen om zelf mee te werken aan geweld tegen kinderen. Zo worden ze ook dader gemaakt, wat het extra moeilijk maakt om eruit te stappen.’ 

 Alternatief Beraad

Hamoen is aangesloten bij het Alternatief Beraad, een stichting die al of niet vermeend  ritueel misbruik bespreekbaar wil maken onder hulpverleners die er tegen aan lopen. ‘De term alternatief is ongelukkig gekozen’ haast voorzitter Ton Marinkelle zich te zeggen. ‘Wij zetten ons niet af tegen de reguliere wetenschap.’ Marinkelle (73), psycholoog, werkte tot zij pensionering als hoofd langdurige behandelingen bij Algemeen psychiatrisch Ziekenhuis Drenthe.  De naam alternatief beraad verwijst naar een in 1994 door het ministerie van Justitie ingestelde onderzoekscommissie ‘Ritueel Misbruik.’ Die commissie had het verlossende antwoord over het waarheidsgehalte van ritueel misbruik moeten spreken. Maar de heftig verdeelde commissie waagde zich daar niet aan. Wel achtte ze de kans klein dat de verhalen over ritueel misbruik ‘in volle omvang’ op waarheid zouden berusten. Er was immers geen enkel technisch bewijs gevonden. Waarschijnlijk waren sommige vrouwen door gruwelijk seksueel geweld zo getraumatiseerd, schreef de commissie, dat het voor hen logischer voelde om te geloven in complotten, dan de verpletterende waarheid onder ogen te zien. ‘Maar het staat niet onomstotelijk vast dat het verschijnsel niet bestaat.’ Er zou een beraad moeten komen om verder onderzoek te doen en de hulpverlening te verbeteren. Dat beraad is er nooit gekomen Waarom niet? Het ministerie van Justitie reageert niet op herhaalde verzoeken van Psy om een verklaring. 

Volgens Marinkelle zitten hulpverleners die te maken krijgen met ritueel misbruik, in een isolement. ‘Zeker als ze in gevestigde instituten werken. Je collega’s lachen je uit als je toegeeft dat je waarde aan die verhalen hecht.’

Zelf werd Marinkelle vlak voor zijn pensionering voor het eerst met een verhaal over misbruik in een satanische cult geconfronteerd. Dit is zo bizar, dat kan niet waar wezen, dacht hij in eerste instantie. Marinkelle: ‘Die vrouw was doodsbang; ze wilde er eigenlijk helemaal niet over vertellen. Haar klachten waren te erg voor een gewoon trauma. Door de heftigheid en de samenhang van wat ze vertelde, raakte ik langzamerhand overtuigd: dit verwijst naar de werkelijkheid.’ 

Marinkelle is niet christelijk. Hij noemt zichzelf een kritische gelovige van ritueel misbruik. ‘Er zijn veel aantoonbare verzinsels over ritueel misbruik. Sommige mensen verzinnen de meest gruwelijke verhalen om aandacht te krijgen. Het is ook zelden zo, dat alles echt is gebeurd. Het geheugen vervormt. Dat wil niet zeggen dat je alle verhalen over ritueel misbruik kan afdoen als verzinsels van een” zieke geest”.’

Doet de vraag of het waar is er eigenlijk wel toe voor behandelaars? Volgens Marinkelle wel. ‘Je hebt met cliënten te maken, die heftig lijden. Voor hen is het essentieel dat je als behandelaar op zijn minst gelooft dat een deel waar is. Anders win je het vertrouwen niet.’

Inmiddels heeft het Beraad 28 hulpverleners geïnterviewd, die te maken hadden met ritueel misbruik. 14 daarvan zijn BIG geregistreerde therapeuten. Acht hulpverleners, waaronder psychologen, een psychiater, een verpleegkundige en een pastoraal werker, hebben zich bij het beraad aangesloten. De meesten hebben een eigen praktijk. Ze wisselen ervaringen uit en runnen een intervisiegroep. ‘ Dat is hard nodig’, zegt psychiater en bestuurslid Tjeerd Jongsma. Hij is voormalig directeur van verslavingskliniek Hooghullen in Groningen. ‘Het gaat om ernstig getraumatiseerde patienten, die zich onvoorspelbaar gedragen. De behandeling is zwaar en duurt jaren. Patienten klampen zich aan je vast. Je bereikt al snel een point of no return. Als je eenmaal begonnen bent, kun je de behandeling niet stoppen, zonder de patient te schaden.’ Volgens Jongsma is dat de reden dat veel psychiaters met een grote boog om dit soort patienten heen lopen: ‘Psychiaters zijn schijtbenauwd dat patienten afhankelijk van ze worden. Deze patienten zijn opgegroeid zonder veilige, liefhebbende volwassenen om zich heen. Daardoor zijn ze ziekelijk afhankelijk gebleven. Ze moeten zich eerst veilig afhankelijk kunnen voelen. Pas als die basis er is, kunnen ze hun eigen onafhankelijkheid ontwikkelen.’

Is het mogelijk verhalen over satanische rituelen en sadistisch misbruik serieus te nemen en toch met beide benen op de grond te blijven? Dat lijkt lastig. Ton Marinkelle  is gefascineerd geraakt door de eeuwenlange geschiedenis van satanisme en occultisme. Hij verzamelt ‘ongewerkte kinderliedjes’, waarin hij geheime opdrachten en boodschappen van satanisten herkent. Marinkelle :‘Dit soort geraffineerde, cerebrale teksten hebben mij overtuigd van het bestaan van een satanistische subcultuur, die kinderen vergaand beïnvloedt, afhankelijk maakt en traumatiseert.’ Hamoen onderhoudt op haar website een gedenkboek voor  ‘overlevenden’ . Daarin staan honderden namen van baby’s en kinderen die gestorven zouden zijn ten gevolge van ritueel misbruik.’  Waar al die lijkjes zijn gebleven? Hamoen: ‘Bewijsmateriaal is niet moeilijk weg te moffelen. Het wordt vaak verbrand. De cults gaan heel geraffineerd te werk.’ 

 Geen spoor van bewijs

De beroepsverenigingen van psychiaters en psychologen hebben zich tot nu toe nooit duidelijk over ritueel misbruik uitgesproken.  ‘Onbegrijpelijk’, vindt rechtspsycholoog Peter van Koppen. ‘ Therapeuten die zich met deze flauwekul bezighouden, zouden geschorst moeten worden.’ In opdracht van voormalig justitieminister Sorgdrager schreef Van Koppen een advies over de manier waarop de politie met aangiften over ritueel misbruik om moet gaan. ‘We hebben uitgebreid onderzoek gedaan’ zegt hij. ‘Er is nooit een spoor van bewijs gevonden.’ Van Koppen vertelt over vier kinderen uit een gezin, die de meest afschuwelijke verhalen vertelden. Van Koppen:’Ze hadden het over een wekelijks ritueel. Iedere zaterdag werden baby’s geroofd en op een zeiltje in de huiskamer geslacht. De andere kinderen zeiden: nou, nou we hadden wel een rotjeugd, maar zo erg was het niet.’

Maar psychiater Martin Roeten vindt dat je het probleem niet oplost door het belachelijk te maken of te zeggen dat het niet bestaat.  ‘In feite weten we helemaal niet wat er precies met het geheugen gebeurt na ernstige traumatisering in de vroege kinderjaren.’ Roeten is geneesheer-directeur van Altrecht, een van de vier instellingen waar patienten met vroegkinderlijke trauma’s worden behandeld. Sommigen zeggen slachtoffer te zijn van ritueel misbruik. Roeten betreurt het dat het krachtenveld rond ritueel misbruik zo gepolariseerd is. De karikatuur van hulpverleners die alles geloven, klopt niet. Ik zie extreem angstige, woedende patienten. Ze hopen soms eerder dat ze gek zijn, dan dat hun verhaal echt gebeurd is. Sommigen hebben verwondingen. Door vragen te stellen probeer je te achterhalen waar hun angst en woede vandaan komt. Gaandeweg krijg je soms verhalen te horen over extreem sadistische ervaringen, over gruwelijkheden die in georganiseerde cults zouden worden uitgevoerd. Dat zijn verhalen die je naar de strot grijpen, zegt Roeten. ‘Terwijl je je ook steeds afvraagt; stink ik er niet in? Je moet een vorm vinden om met die tegenstrijdigheid om te gaan. Zodat je contact kunt maken met de emoties die de patiënt voelt.’

 Geen detective

De vraag of de extreme verhalen die sommige patienten vertellen, waar zijn, is voor de behandeling niet relevant, vind hij. Roeten: ‘Ik ben behandelaar, geen detective. Maar ik heb wel een ontwikkeling in mijn denken doorgemaakt. Eerst dacht ik: het is een vorm van magisch denken, van mensen die als kind gruwelijke dingen hebben meegemaakt. Maar de grote vraag blijft: wat houdt die gedachten nu nog in stand? Als behandelaar merk ik soms dat er sterke tegenkrachten zijn, die de therapie ondermijnen. Een soort hersenspoeling, wantrouwen en angsten waar je bijna niet doorheen komt. Dan ga je denken: zit dat alleen in hun hoofd? Of is het aannemelijk dat er ook nu nog in de buitenwereld iets plaatsvindt dat hen zo angstig maakt? Alleen door die vraag te stellen, komen behandelaars al in een gewetensconflict terecht, zegt Roeten. ‘Patienten doen een groot beroep op je. Ze zeggen: “ik kan dit niet langer verdragen”. Maar ook: ‘’als dit verhaal naar buiten komt, maak ik er een eind aan’’. Sommige patienten vertellen dat ze zich zelf ook schuldig maken aan ritueel misbruik. Roeten: ‘Wat doe je dan? Je weet niet of het waar is. Wat je wel weet: op het moment dat je naar de politie stapt, ben je je patiënt kwijt. Zonder dat je weet of je schade aan derden kunt voorkomen.’

Patienten kunnen tijdens de behandeling zo in de knoop raken dat ze zichzelf beschadigen of proberen zich van het leven te beroven. Roeten.  ‘Vergelijk het met een oorlog tussen positieve en destructieve krachten. Enerzijds hopen ze beter te worden, anderzijds ervaren ze diepe zelfhaat, waarachter radeloosheid, angst en vertwijfeling schuilgaan. De patient is er vaak vast van overtuigd dat de therapeut van hem af wil, nu hij heeft ontdekt wat voor monster hij is.’

Afgelopen jaar deden drie patienten een ernstige suicidepoging.

Roeten  vertelt over een vrouw, die vorig jaar werd opgenomen. ‘Ze vertelde dat ze was ontsnapt uit een satanische cult. Je kon de littekens nog zien. Uiteindelijk bleek dat ze alles verzonnen had. Dat komt ook voor.’

Er zit maar één ding op, zegt Roeten: als behandelaar je werk doen. En een team om je heen verzamelen dat kritische geluiden laat horen. ‘We proberen deze patienten zoveel mogelijk veiligheid te bieden. Ze hebben onze mildheid en acceptatie nodig. Je hoopt dat je ze kan helpen hun trauma’s te verwerken, maar waar je uitkomt is onzeker. Als behandelaar moet je kunnen verdragen dat je het lijden niet altijd kunt stoppen.’

 

© Ditty Eimers. Overname van teksten alleen na toestemming. info@dittyeimers.nl