'Je moet van je afbijten' werkt niet

PDFPrintE-mail

'Je moet van je afbijten' werkt niet

Pesten JM J/M, maart 2013

Bijna tweederde van de kinderen die op basisschool worden gepest, verzwijgt dat voor zijn ouders. Gepeste pubers zijn nog zwijgzamer: 90 procent zegt thuis niets. Wat kun je doen om dat te voorkomen? ‘Kinderen zijn als de dood dat hun ouders naar school of naar de pester stappen.’ pdf1 pdf2 pdf3

Erachter komen dat je kind wordt gepest is erg. Maar hoe eenzaam moet je gepeste kind zich voelen als het thuis niets heeft durven vertellen? Toch is dat niet uitzonderlijk, zegt Laura Mol van expertisecentrum Pestweb. Op de chat van Pestweb spreekt ze veel kinderen die pesterijen angstvallig verborgen houden voor hun ouders. ‘Ze zijn als de dood dat die naar school of naar de pester stappen. Ze denken dat het dan alleen maar erger wordt.’

Soms dreigen de pesters: ‘Als je je mond open doet, pakken we je echt.’ De angst die dat oproept is helaas niet altijd ongegrond, weet ze uit ervaring. Toen ze zelf als tiener een tijdje werd getreiterd door kinderen uit de buurt, en haar moeder naar buiten vloog en een pestkop bij de lurven te greep, nam het gepest juist toe. ‘Jij bent stom en je moeder is een kindermishandelaar!’

Iets anders wat ze vaak hoort, is dat gepeste kinderen die hun ouders niet willen belasten. ‘Mijn ouders zijn gescheiden en mijn moeder vindt dat heel erg. Als ze hoort dat ik word gepest, wordt ze helemaal verdrietig.’

Maar ook schaamte speelt een rol.‘Kinderen vinden het vreselijk om te vertellen dat ze geen vriendjes hebben en alleen op het schoolplein staan,’ zegt Mol. ‘Ze voelen haarfijn aan dat hun ouders graag hadden gewild dat ze wél populair zijn.’ Thuis hebben ze geleerd dat ze voor zichzelf op moeten komen. Ze denken: ‘Als mijn ouders erachter komen dat ik dat niet durf, ben ik een nog grotere loser.’

Daar komt bij dat gepeste kinderen zich steeds kleiner gaan voelen en gaan denken dat het probleem onoplosbaar is, zegt psycholoog en pestdeskundige Bob van der Meer. ‘Zeker als het pesten al lang aan de gang is. Dan krijgen ze het idee dat ze niks meer zijn. Iemand die het pesten waard is.’

Niet opgemerkt

Ook op school wordt pestgedrag lang niet altijd opgemerkt. In groepen waar al langer wordt gepest door relatief veel kinderen veranderen de groepsnormen, blijkt uit onderzoek. ‘Daar wordt pesten meer geaccepteerd als iets dat er gewoon bij hoort’, zegt socioloog en pestonderzoeker Gijs Huitsing van de Rijksuniversiteit Groningen. Soms weten leerkrachten niet hoe ze het probleem aan moeten pakken en kijken ze de andere kant op. Maar het pesten gebeurt ook vaak buiten hun gezichtsveld: op weg naar school, bij het omkleden voor de gymles. Huitsing: ‘Lang niet alle vormen van pesten zijn even zichtbaar. Vaak weten leerkrachten redelijk goed wanneer er wordt geschopt, geslagen of gescholden. Op meer subtiele vormen van pesten, zoals iemand buitensluiten, hebben ze minder zicht.’

Huitsing is betrokken bij de uit Finland overgewaaide KiVamethode. In het KiVaprogramma krijgen leerkrachten een training om pesten beter te herkennen en pestnetwerken in hun klas in kaart te brengen. Huitsing: ‘Daarmee kom je dus ook leerlingen op het spoor die zelf niets vertellen. Belangrijke signalen zijn bijvoorbeeld dat niemand ze noemt als vriend en veel klasgenoten ze niet leuk vinden.’

Als ouder kun je er maar beter van uitgaan dat er in iedere klas wordt gepest, zegt hij. ‘Het is een manier om de pikorde in de klas vast te leggen.’ In een klas van dertig zitten gemiddeld vier tot vijf gepeste kinderen.

Pestsignalen

Als een kind steeds stiller wordt, nooit vriendjes meeneemt, last krijgt van nare dromen, bang is om naar school te gaan of ineens slechter presteert op school, kan dat duiden op pesten. Ook buikpijn, hoofdpijn of misselijkheid kunnen signalen zijn. Komt je kind thuis met kapotte spullen en een vreemde verklaring, dan moeten de alarmbellen ook gaan rinkelen. Het kàn op pesten duiden, maar het hoeft natuurlijk niet. Dat maakt het signaleren van pesten zo lastig. ‘Ga je kind niet steeds uithoren, als je je zorgen maakt’, zegt Van der Meer. ‘Toon liever interesse: ‘Hoe ging het bij het overblijven? Wat vind je leuk bij het buitenspelen? Probeer tussen de regels door te lezen en snij het onderwerp zo nu en dan aan: worden er wel eens kinderen gepest in jouw klas?’

Vertelt je zoon terloops dat hij niet mee mocht doen met tikkertje of springen de tranen in zijn ogen omdat hij als enige niet uitgenodigd is voor een verjaardag, probeer dan kalm te blijven, adviseert Mol. ‘Probeer hem te bemoedigen: wat rot voor je en wat goed dat je dit aan mij vertelt!’ Het hoeft niet altijd pesten te zijn. Mol: ‘Vooral kleine kinderen kennen het onderscheid tussen plagen en pesten nog niet zo goed. Stel vragen: wanneer was dat? Gebeurt dat vaker? Wat vind je daarvan? Zo krijg je een beeld van wat er aan de hand is.’

Ze heeft nogal eens ouders aan de lijn die er niet aan willen dat hun kind niet zo assertief is als zij zelf vroeger waren. Maar reacties als: ‘Je moet van je afbijten’ werken volgens haar averechts. ‘Minder gehaaide kinderen kruipen in hun schulp als je zo reageert.’

Belangrijk is ook dat je de neiging bedwingt om naar school te rennen, zelfs als je erachter komt dat je kind al maanden wordt gepest. Mol: ‘Ik begrijp dat ouders direct willen ingrijpen. Maar gepeste kinderen willen vooral gehoord en gesteund worden. Bedenk dat het vaak een enorme stap is geweest om ermee voor de draad te komen.’

Besteed vooral aandacht aan de gevoelens van je kind, raadt ze aan. Dat hij verdrietig of boos mag zijn. Vertel dat pesten veel voorkomt, dat het niet zijn schuld is. Dat er een oplossing is en dat jullie daar samen aan gaan werken.

Wat kun je doen?

Mol vertelt over een jongen van 12, die al maanden werd gepest. Ze had hem zover gekregen dat hij het thuis vertelde. Zijn vader lichtte tegen zijn zin de leerkracht in. Drie maanden later meldde de jongen zich weer op de chat van Pestweb. Het pesten was nooit opgehouden. Toen Mol vroeg of zijn vader dat wist zei hij: ‘Ik hou mijn mond, anders staat hij morgen weer op school.’

Ze adviseert ouders om altijd met hun kind te overleggen welke stappen ze kunnen nemen: wat zou jou helpen? Mol: ‘Uiteindelijk moet je het wel met de leerkracht bespreken. Die blijft een sleutelfiguur om pestgedrag te bestrijden. Maar volg je kind, forceer niks. Neem de tijd om zijn vertrouwen te winnen.’

Volgens Van der Meer kan het geen kwaad om een ‘heterdaadje’ te organiseren als een kind erg bang blijft en absoluut niet wil dat je de school inlicht. Je geeft dan aan school door wie de pesters zijn, wat ze doen en waar. In overleg met de school vraag je een paar volwassenen om de zaak in de gaten te houden. Als een van hen ziet dat het kind opnieuw wordt gepest, meldt hij dat aan de leerkracht. ‘Op die manier krijgt het gepeste kind niet het verwijt “geklikt” te hebben.’

En dan? Al heeft vrijwel iedere school een pestprotocol en zijn scholen behangen met anti-pestprogramma’s, je kunt er helaas nog steeds niet op vertrouwen dat het pesten stopt, nadat je het hebt gemeld. Van der Meer: ‘Er zijn nog te veel scholen die volstaan met een gepest kind naar een sociale vaardigheidstraining sturen. Zo’n training kan een beetje helpen, maar daarmee ben je er nog lang niet.’ Beter zou het volgens hem zijn als de pesters verplicht zouden worden om zo’n training te volgen. Maar tot nu toe is er weinig bewijs dat sociale vaardigheidstrainingen positief effect hebben op kinderen die pesten. Het lijkt er eerder op dat dergelijke trainingen negatieve effecten hebben.

Van de steeds luider klinkende roep om pestkoppen nu maar eens keihard aan te gaan pakken- desnoods met taakstraffen- moet Van der Meer weinig hebben. Ook Huitsing ziet daar niets in: ‘Pesten is een complex groepsproces, waarbij iedereen een rol speelt: pestkoppen en slachtoffers, maar ook meelopers en buitenstaanders.’ Meelopers en meelachers maken dat daders zich gesterkt voelen. Ook de rol van buitenstaanders -kinderen die niet mee pesten maar er ook niets van zeggen- is minder onschuldig dan op het eerste gezicht lijkt. Vaak vormen zij de meerderheid in de klas. Huitsing: ‘Door niets te doen stemmen ze impliciet in met het pesten.’

Pesten geeft status

Leerkrachten moeten de hele klas erbij betrekken, vindt ook Van der Meer. Al sinds de jaren tachtig pleit hij voor zo’n groepsaanpak, waarbij leerkrachten op een niet bedreigende manier met de klas bespreken hoe het zover heeft kunnen en samen met de kinderen regels opstellen hoe je met elkaar om moet gaan. ‘

Pesters zijn niet gek’, zegt Huitsing. ‘Het pesten levert hen status en waardering op. Pas als ze merken dat de klas dat pesten niet meer leuk vindt, houden ze ermee op.’ In de wetenschap is dit inzicht al een jaar of tien gemeengoed, maar tot scholen lijkt het maar langzaam door te dringen.

Van der Meer vindt dat ook ouders van niet gepeste kinderen zich veel meer verantwoordelijk moeten gaan voelen voor het aanpakken van het pestprobleem.

Bijvoorbeeld door ouderavonden over pesten te organiseren en aan te dringen op goede omgangsregels in de klas. Of in elk tien-minutengesprek te vragen hoe de relaties in de klas zijn. ‘Je kunt als ouder denken: als mijn kind er maar geen last van heeft. Maar morgen kan jouw kind aan de beurt zijn. Dan hoop je ook dat andere kinderen voor hem opkomen.’ Kinderen die zwijgen als er wordt gepest, moeten doorkrijgen dat klikken bij pesten wél mag. Of liever gezegd: móet. Van der Meer: ‘Dat is iets wat iedere ouder zijn kind bij zou moeten brengen.’

© Ditty Eimers. Overname van teksten alleen na toestemming. info@dittyeimers.nl