Rampenfonds

PrintE-mail

Rampenfonds

Waarom zijn we de honger in Afrika zat? Een onthutsend onderzoek over televisieacties voor Afrika

Dif 1, 2003

 

 

 

 

 

1984: Holle ogen, bolle buiken, stervende kinderen. De beelden van hongerende Ethiopiërs knallen de huiskamers in. Een golf van afgrijzen trekt door de wereld. Er komt een nationale televisieactie en heel Nederland doet mee. Dit mogen we nooit meer laten gebeuren.

Eind 2002: Opnieuw is er honger in Afrika. 38 miljoen mensen dreigen te bezwijken. Alleen al in Ethiopië hebben veertien miljoen mensen voedselhulp nodig, anderhalf keer zoveel als de acht miljoen van 1984. Giro 555 is weer open, maar dit keer komt er geen avondvullende actie. De inzameling voor de hongerlijders levert teleurstellend weinig op. Is Nederland de honger zat?

Ditty Eimers

Eén voor Afrika, de legendarische televisieactie in 1984, zet de standaard voor alle latere hulpacties op televisie. Tien uur televisie, achttien uur radio. Zeveneneenhalf miljoen kijkers en meer dan honderd miljoen gulden- 44 miljoen euro- opbrengst. Het is de meest succesvolle Afrika-actie aller tijden. Binnen twee weken uit de grond gestampt door journalisten van de gezamenlijke omroepen- commerciële zenders bestonden nog niet. “Er kwam geen reclamebureau aan te pas”, vertelt oud-tv-journalist Pieter Varekamp. Varekamp, destijds eindredacteur televisie bij de AVRO, was een van de initiatiefnemers. Hij durft rustig te stellen dat die actie er niet gekomen was als het aan de hulporganisaties gelegen had. “Eén gironummer! Hoe haalden we het in ons hoofd. Samenwerking van alle hulporganisaties, en dan al over twee weken! Er brak een waar pandemonium uit. Of we gek geworden waren. Maar wij zeiden: we gaan dat doen en we gaan het groots aanpakken. Wie vervelend is of niet mee wil doen, doet maar niet mee. Binnen een paar dagen waren ze allemaal overstag.”
De omroepen stellen zendtijd ter beschikking. Programmakers, decorbouwers en technici werken ’s nachts door. Het wordt een enorme sneeuwbal, niemand wil achterblijven. De NS laat twee treinen rijden, de banken blijven ’s avonds open. Varekamp: “Dat had nog niet in de krant gestaan of de PTT hing aan de lijn. Of ze ook mee mochten doen.” Overal in het land komen mensen in actie. Bekende Nederlanders zijn beledigd als ze niet gevraagd worden.

Na 1984 volgen andere televisie marathons over Afrika, met als voornaamste doel de kijker te bewegen om zijn giroboek te trekken. De hulporganisaties besluiten gezamenlijk geld in te zamelen bij grote rampen. Jan Bouke Wijbrandi, directeur fondswerving van NOVIB, en daarvoor werkzaam bij Artsen zonder Grenzen, is er vanaf Afrika Nu (1988) bij. Hij ziet een duidelijk verschil met 15 jaar geleden. “Ik belde later nog eens met de directeur van Centraal Nederland. Of ze weer posters wilden ophangen in de bussen. Ik werd direct doorverwezen naar de afdeling marketing. Geen bezwaar maar wel tegen commercieel tarief.” Ook bij de omroepen is de sfeer veranderd. Met Joop Daalmeijer (netcoördinator van Nederland 2) kun je nog steeds uitstekend praten, weet Wijbrandi. Maar het is steeds meer: zo’n tv avond is een dure zaak, daar hebben we het geld niet voor liggen. Vroeger voelden programmamakers en hulporganisaties voelden zich samen verantwoordelijk dat zo’n actie slaagde. Daalmeijer was toen nog programmamaker. Wijbrandi: “We sloegen elkaar op de schouders als het gelukt was.”

Tot begin jaren negentig is de pers een trouwe bondgenoot van de hulporganisaties. De grootste angst van programmakers van actualiteitenrubrieken is om voor neokoloniaal versleten te worden. Ook los van rampen is er intensief contact tussen hulporganisaties en programmamakers. Hulporganisaties betalen mee aan reportages en in ruil daarvoor komt een gironummer in beeld. Willem Hooglugt, tot midden jaren negentig hoofd fondsenwerving bij Mensen in Nood, herinnert zich hoe Willibrord Frequin –toen nog Brandpunt verslaggever- bijna dagelijks aan de lijn hing om te informeren hoeveel zijn Afrikareportage nu weer had opgeleverd.
Afrika-veteraan Aad van den Heuvel: “Als ik daar stond te filmen, in zo’n klote tent waar mensen lagen dood te gaan, dat was zo uitzichtloos en gruwelijk. En ik slofte weer weg met mijn cameraman en mooie plaatjes. Nu kan het niet meer, maar toen gaf zo’n gironummer me een soort geruststelling.”
Het geld stroomt binnen. Een reportage, gironummer erachter en de volgende dag advertenties in de krant: een miljoen is niets.

“Als niemand morgen maar denkt dat we het hongerprobleem afdoende aangepakt hebben”, luidt het NRC commentaar op de maandag na Eén voor Afrika. De teneur van het commentaar: honger komt niet alleen door droogte, het gaat ook om wanbestuur en handelsbarrières. Ook twintig jaar geleden geloofde geen weldenkend mens in snelle oplossingen. Dat hulpverleners geen heiligen zijn en Afrikaanse leiders er soms een puinhoop van maken, weten we dan ook al. Maar er heerst een sfeer van optimisme, de wereld lijkt nog maakbaar. Reportages kunnen volgens een simpel schema gemaakt worden: dit is het probleem, zo kunnen we het oplossen. Als we in het westen met zijn allen de schouders eronder zetten, dan wassen we dat varkentje wel. Het vertrouwen in de nieuwe generatie Afrikaanse leiders is groot. “Ikon-redacteuren reden in 1980 juichend achter Mugabe aan”, vertelt oud Ikon-directeur Wim Koole met lichte gene. “Helemaal euforisch waren ze over deze prachtige nieuwe leider. Als je ziet wat een graaidictator Mugabe geworden is, dat is haast een metafoor voor de treurnis van Afrika.”

De publieke opinie lijkt compleet omgeslagen. Gegeven wordt er nog steeds, maar minder gul dan vroeger. Afrika Nu in 1988 was nog goed voor 23,5 miljoen euro, de actie voor Soedan (1998) brengt slechts 8,1 miljoen op. Alleen de inzamelingsactie voor Ruanda (1994) komt met 36 miljoen euro in de buurt van Eén voor Afrika. De onbevangenheid waarmee iedereen haast automatisch naar de portemonnee greep als giro 555 in beeld kwam, is weg. De laatste resten van het jaren zeventig gevoel van “we zijn voor elkaar verantwoordelijk” zijn verdwenen, nu hordes Afrikanen in gammele boten naar ons toekomen. “Een wereld of geen wereld? Daar geloofde je echt in, nu rol je onder tafel van het lachen” meesmuilt Koole. “We bouwen liever een muur om Europa.”
Alle acties voor Afrika lijken niet eens het effect van een druppel op een gloeiende plaat te hebben gehad. De kijkers zijn moe van verhalen over zielige Afrikanen. Als Mugabe zijn land leegrooft en de koning van Swaziland een vliegtuig van miljoenen dollars aanschaft terwijl zijn onderdanen creperen, waarom zouden wij dan nog geven? En trouwens: hoeveel geld steken de hulporganisaties niet in hun eigen zakken?
“Kijkers zijn het zat en ik geef ze geen ongelijk”, zegt VPRO programmaker Hans Fels. “Een paar maanden geleden was ik in Kenia, Daar ontmoette ik Sam, een taxichauffeur. Hij was eigenlijk rijstbouwer, maar daar kon hij niet meer van leven. De importrijst die tegenwoordig in de schappen ligt is drie keer goedkoper dan de rijst die hij zelf kon verbouwen. Twintig jaar geleden waren we minder op de hoogte van de krankzinnige verhoudingen op de wereld. Mensen hebben zo langzamerhand door waar honger vandaan komt.”

Ongewild hebben ook de grote Afrika acties aan de scepsis bijgedragen. Niemand heeft het waarschijnlijk ooit zo letterlijk geroepen, maar de ambiance van iedere actie is hetzelfde: als we nou met zijn flink wat miljoenen bij elkaar brengen, dan is die hongersnood wel over. De kijkers krijgen op zijn minst de suggestie dat we de problemen kunnen oplossen.
Aad van den Heuvel: “Dat heeft zeker een bijdrage geleverd in de teleurstelling. Alweer een actie, donder toch op man. Nou zijn we daar 30, 40 jaar bezig en moet je ze zien. Trek de stop er maar uit en het kan zinken.” Daar komt bij dat de aftersales niet altijd even sterk zijn. Mensen willen weten wat er met hun geld gebeurt. Maar veel verder dan af en toe een plichtmatige reportage komt het meestal niet.
Van den Heuvel ziet nog een ander effect van de nationale acties. “Door de overdosis leed die we voorgeschoteld krijgen ontstaat bij heel veel Nederlanders het beeld dat ze in Afrika nog steeds in hun blote kont lopen. Dat iedereen honger heeft en dat er driehonderd jaar geleden voor het laatst gelachen is. Wanneer zie je nou een Afrikaan die een normaal burgerlijk bestaan leidt?”
Afrika, dat betekent ellende en gironummers. Freelance journalist Marc Broere, auteur van “Afrika voetbalt!”, organiseerde een paar jaar geleden een voetbalwedstrijd tussen het Nederlandse en het Ghanese juniorenelftal. Studiosport maakt een reportage en Broere wordt in de studio geïnterviewd. “Het was een mooie reportage, over de positieve kant van Afrika. Dat die jochies van 17 de beste voetballers van de wereld zijn.” Tot zijn stomme verbazing sluit presentator Jack van Gelder de uitzending af met een gironummer. “Opeens zei Van Gelder: het gaat over Afrika dus er moet een gironummer bij. Er was geen enkele link met het onderwerp en dat goede doel had niets met Ghana te maken.”

Niet alleen de mentaliteit van de kijkers is veranderd, ook de relatie tussen media en ontwikkelingsorganisaties is bekoeld. In kranten en weekbladen zijn de traditionele derde wereldreportages, geschreven vanuit het gezichtpunt van ontwikkelingsorganisaties vrijwel verdwenen. Gewoon nieuws, over sport, cultuur en reizen in Afrika krijgt meer aandacht. Onafhankelijke journalistiek en fondswerving gaan niet samen, vindt de nieuwe generatie journalisten. Ook de actualiteitenrubrieken op televisie zijn huiveriger geworden om op de wagen van de hulporganisaties te springen. “Niet omdat we niet meer willen samenwerken, dat doen de meeste van ons nog steeds,” zegt hoofdredacteur Maria Henneman van Netwerk: “Maar inzicht geven in de problematiek kan niet altijd met een extra bak geld geregeld worden. We willen niet alleen de honger laten zien, maar ook corrupte regeringen die hulpacties saboteren. Dergelijke verhalen zijn niet altijd samen te maken met de hulporganisaties. We stellen ons onafhankelijker op. Ik vind dat wel zo gezond.”
Het brengt de hulporganisaties in een lastig parket. Zonder uitzondering juichen ze een kritische opstelling van de media toe, in ieder geval hardop. Maar de schoorsteen moet ook blijven roken.
Marc Broere: “Helaas maak ik het in mijn dagelijkse praktijk maar al te vaak mee dat een avond bij het kampvuur in bijvoorbeeld Kampala op een ongezellige manier eindigt. De reden is dat ik aan medewerkers van hulporganisaties moet vertellen dat ik de volgende dag niet naar hun project kom kijken omdat ik een afspraak heb met het plaatselijke modellenbureau.”

Visibility van de honger

Of een ramp groot nieuws wordt is in hoge mate afhankelijk van televisieaandacht. En de televisie wil dramatische beelden die emoties bij de kijker oproepen. De vulkaanramp in Colombia werd pas echt wereldnieuws door beelden van een veertienjarig meisje, dat tot haar kin in de modder vocht voor haar leven.. De vrouw die in een boom een kind baarde, werd hét beeld van de watersnoodramp in Mozambique.
De hongerramp waarvoor de wereldvoedselorganisatie (WFP) in juni 2002 waarschuwt, is géén wereldnieuws geworden. Waarom? Een dreigende hongersnood levert geen beelden op van voldoende dramatische kwaliteit. Met andere woorden: we zien niet genoeg mensen doodgaan.

Een BBC reportage van slechts zeven minuten over de honger in Ethiopië brengt in 1984 de hele wereld in beweging. “Je zag mensen letterlijk sterven van de honger”, vertelt Willem Hooglugt.. “Ik was compleet flabbergasted, het was een enorme schok.” Dat er een hongersnood aan de gang is, is dan al maanden lang bekend. Hulporganisaties schreeuwen moord en brand en in de kranten verschijnen alarmerende berichten. Maar niemand doet iets. En als de eerste televisieploegen arriveren, nog voordat de hongerlijders bij bosjes zijn gestorven, heeft het net geregend. Het land ziet er paradijselijk uit met groene velden, en de honger is haast onverkoopbaar nieuws. Eén miljoen mensen sterven aan een ramp die voorkomen had kunnen worden.
De beeldvorming van honger in Afrika wordt tot op de dag van vandaag bepaald door die gruwelijke taferelen van toen. Ook in de aanloop naar een hongersnood zijn er al beelden waaraan je kan zien dat het misgaat. Cees Hamelink, hoogleraar internationale communicatie: “Op het moment dat het vee sterft of er voedsel wordt uitgedeeld is er al heel wat aan de hand. Maar dat vinden de meeste media niet voldoende sensationeel. Pas als de beelden een Ethiopiëkwaliteit hebben, wordt het interessant.”
Is honger alleen nog nieuws als we mensen zien letterlijk zien doodvallen op het scherm?
Zo plat zal Netwerk hoofdredacteur Kees Boonman het zelf nooit zeggen. “Maar het speelt mee. Als je een item maakt over honger, dan moet je het ook echt kunnen laten zien. Je kunt het ook uitleggen, het verhaal erachter, de structuren. Dan krijg je zo’n VPRO programma, waar geen hond naar kijkt. De betekenis van beeld is veel indringender, dat heb je nodig. En tegelijkertijd zijn mensen een beetje immuun geworden. De beelden moeten steeds schokkender zijn.”

In het najaar van 2002 vertrekt een tv ploeg van NOVA samen met Memisa naar Angola. In het opvangkamp van Unita rebellen, waar ze willen filmen, zijn geen stervende mensen te bekennen. Zes weken daarvoor heeft Memisa er nog schrijnende toestanden gesignaleerd. Maar inmiddels zijn de voedselbalen gearriveerd. De kampbewoners hebben nog steeds honger, in die zin dat ze compleet afhankelijk zijn van voedselhulp. Hun varkens en kippen zijn dood. Maar voor de leek levert dat geen overtuigend beeld van honger op. Gelukkig heeft de NOVA ploeg nog tijd om af te reizen naar een ander kamp in het zuiden. Daar treffen ze broodmagere Angolezen aan, in een ernstig stadium van ondervoeding. Het item kan dus toch worden uitgezonden.

Je zou die erge beelden niet nodig moeten hebben, vinden de hulporganisaties. Maar zo werkt het nu eenmaal, zeggen hun woordvoeders er in een adem achteraan. En helemaal als je niet alleen wilt informeren, maar ook de kassa wilt laten rinkelen. “Je moet in één zin kunnen uitleggen waar het om gaat” meent Ingrid Tuinenburg, hoofd van Mensen in Nood en coördinator van de actie Help Hongend Afrika Nu! “Er is geen vee meer in de dorpen. Dat betekent dat de kans groot is dat er over een paar maanden helemaal niets meer te eten is. Dat vind ik nogal een mondvol als je fondsen wilt werven.”

De business van de hulp

Waarom slagen ontwikkelingsorganisaties er steeds minder in om journalisten voor hun werk te interesseren? Is dat alleen de schuld van “Afrikamoeheid” bij het publiek en de media?
Willem Hooglugt ziet de burgeroorlog in Ruanda als keerpunt. Afrikanen slachten elkaar af. Daders worden slachtoffers en slachtoffers daders. “Het werd pijnlijk duidelijk dat er geen simpele oplossing was. De kijkers geloofden dat niet meer en zelf wilden we er ook niet meer mee aankomen.”
Ruanda betekent ook in een ander opzicht een keerpunt. Voor het eerst ligt een hulporganisatie zwaar onder vuur. Jacques de Milliano, voormalig voorzitter van Artsen zonder Grenzen, komt met dramatische cijfers over een cholera epidemie onder vluchtelingen, die dagelijks meer dan duizend slachtoffers maakt. Schromelijk overdreven, blijkt later. Verdraaide De Milliano de feiten om meer geld in het laatje van Artsen zonder Grenzen te krijgen? “We zaten er naast zat, we hebben schattingen gepresenteerd als feiten,”zegt Ruud Huurman van Artsen zonder Grenzen. “ Dat we dat moedwillig hebben gedaan om fondsen te werven is absoluut onwaar. We hebben in die periode helemaal geen fondsen geworven, juist omdat we de schijn wilden vermijden dat het daarom te doen was.”
Niettemin wordt de misser symbool voor hoe hulporganisaties de cijfers naar hun hand zetten om er zelf beter van te worden. Hulp is een industrie, die belang heeft bij een bepaald beeld van Afrika. Tot dan toe twijfelde haast niemand aan de goede bedoelingen van hulpverleners. Na Ruanda komt een andere werkelijkheid in zicht: die van de onderlinge concurrentie, het ellebogenwerk om fondsen binnen te krijgen. Zijn hulpverleners nog wel betrouwbaar als journalistieke bron?
Ex –NOVIB medewerker Pierre Hupperts stapt in 1993 over naar het bedrijfsleven, waar hij directeur van de Bodyshop wordt. “Ik was verrast door de gemoedelijke sfeer in het bedrijfsleven. Er is concurrentie, maar je beschouwt elkaar ook als conculega’s. De competitie tussen hulporganisaties is feller. En hun marketing is vele malen beter, heel professioneel met split runs en topmarketeers.”

Artsen Zonder Grenzen begint er mee: met hulpverleners in club T-shirts voor de camera. Hooglugt: “We vonden hun concept een beetje ordinair, maar we hebben het allemaal overgenomen.” Tegen de mediagenieke De Milliano kunnen de andere organisaties niet op. Hij is er altijd als eerste, cameraploegen mee en scoren maar. En zo niet, dan is er wel een vlotte jonge collega- arts ter plekke, die kan uitleggen hoe de vork in de steel zit. Lokale mensen komen er steeds minder aan te pas. “We waren stinkjaloers” geeft Hooglugt toe. “Heel slim hoe ze eigen corporate image erin gooiden.” Maar, prijst hij, informatie geven stond voorop, pas daarna kwam de fondswerving.”
De markt wordt halverwege de jaren negentig steeds voller. Fondserving en informatie geven gaan steeds meer door elkaar lopen. Bij Foster Parents wordt informeren volledig ondergeschikt aan fondswerving. “Het kon niet schokkend genoeg” zegt Eppo van Nispen tot Sevenaer van SBS 6. Als programmamaker bij de publieke omroep werkte hij aan verschillende Foster Parents shows mee . “De meest ellendige beelden moesten vertoond worden. ‘Ze moeten door the mud, door de mud’ hijgde de directeur van Foster Parents. Hoe erger de beelden, hoe meer er binnenkwam. Zo banaal was het.” De peperdure televisieshows met zielige kindjes en bedelende sterren leveren op een avond met gemak 50.000 nieuwe donateurs op. Tot het gelikte marketingconcept in 2000 als een kaartenhuis in elkaar stort. Namens bewoners van een Haïtiaanse sloppenwijk beschuldigt de Utrechtse advocaat Tomlow Foster Parents ervan vele miljoenen te hebben gestopt in nutteloze en onrendabele projecten. Naar aanleiding van de beschuldigingen wordt een onafhankelijke commissie ingesteld, die de werkwijze van Foster Parents ter plaatse onderzoekt. De conclusies zijn spijkerhard: de organisatie rammelt aan alle kanten. Geld wordt niet goed besteed, er is nauwelijks controle op projecten en personeel. Miljoenen guldens zijn verdwenen in een algemene pot en niet terechtgekomen bij de kinderen voor wie ze bedoeld waren. Foster Parents belooft beterschap. Onder een nieuwe naam –Plan Nederland – en met een andere werkwijze wil de organisatie een doorstart maken. Maar nog voordat er orde op zaken is gesteld volgt een nieuw schandaal. Medewerkers van Plan Nederland protesteren publiekelijk tegen het salaris dat interim-manager Rolf Pagano opstrijkt, ruim 18.000 euro per maand voor drie dagen per week. Pagano moet het veld ruimen. Het Foster Parents trauma zit diep: “Ze hebben het voor ons allemaal verpest”, zegt Hooglugt bitter.

De geversmarkt is inmiddels gestabiliseerd. De meeste organisaties steken liever geld en energie in het binden van donateurs en langlopende projecten dan in losse acties. Daarnaast zorgen de postcodeloterij en door de charimarkt gesponsorde programma’s voor een gestage stroom particulier geld. Van geldgebrek is geen sprake, maar in de publieke opinie over internationale samenwerking zijn de organisaties niet meer leading. Ze worstelen met de vraag hoe ze het grote publiek nog kunnen aanspreken.
Overzichtelijkheid scoort, terwijl de hulpverlening veel complexer is geworden. De groep die altijd gaf wordt oud en grijs en is moe van alle acties. Hele concrete projecten, waarvan direct duidelijk is wat het effect doen het nog wel steeds goed: de gemiddelde weekopbrengst van de Wilde Ganzen, de wekelijkse collecte van de IKON, is 173 duizend euro. Elke actie bedoeld is om één heel praktisch probleem op te lossen: de aanleg van een waterput, de bouw van een school, de inrichting van een operatiekamer, de inventaris van een bejaardentehuis.
De meeste organisaties zijn bureaucratische instituten geworden, ze missen de wendbaarheid om nieuwe, inspirerende initiatieven te nemen. Daar komt bij: de global village, dat is geen abstract begrip, maar realiteit. Dankzij vliegtuig, e-mail en internet televisie is de andere kant van de wereld steeds dichterbij. Steeds meer mensen kiezen voor directe hulp via persoonlijke kanalen. Pierre Hupperts, tegenwoordig zelfstandig adviseur Maatschappelijk Ondernemen, wordt platgebeld door jonge mensen. Via reizen of via hun werk komen ze in contact met mensen in Afrika, Azie of Latijns-Amerika, waarvoor ze iets willen doen. Ze willen zien waar hun geld terecht komt: korte lijnen, geen intermediair, waar een percentage blijft hangen voor de overhead en waarvan ze afhankelijk van zijn voor informatie. Hupperts: “Ze hebben NOVIB, Mensen in Nood of Unicef helemaal niet meer nodig.”

Help Hongerend Afrika Nu

Als honger geen nieuws is een actie kansloos

In juni 2002 slaat de wereldvoedselorganisatie groot alarm: 12 miljoen mensen in Zuidelijk Afrika dreigen te sterven als er geen voedselhulp komt. De Samenwerkende Hulporganisaties (SHO) doen een dringende oproep aan de media om aandacht aan de dreigende ramp te besteden. Als teken dat het niet alleen woorden zijn, stellen ze ook giro 555 open. Jan Bouke Wijbrandi: “We wisten dat er nauwelijks iets binnen zou komen, zolang de media het niet oppikten.”
Aandacht van de media- vooral van de televisie- is het “yes” of “no” van de noodhulpverlening. De SHO stelt drie vragen. Hoe erg is de ramp? Hoe groot is de hulpvraag en kunnen ze die beantwoorden? De derde vraag: is er voldoende media-aandacht of ebt het weg? Dat laatste is bepalend voor de afweging of er een grote nationale inzamelingsactie komt. “Het ergste dat ons kan overkomen is dat wij heel veel geld investeren en dat mensen de boodschap niet herkennen,”zegt Wijbrandi. “Dan krijg je iedereen over je heen.”
Het grote verschil met eerdere, succesvolle Afrika acties is dat de hulporganisaties er dit keer op tijd bij zijn. Ze kiezen er bewust voor om een actie te starten vóór het te laat is, voordat te hongerbuikjes komen. “Een duivels dilemma” zucht Wijbrandi. Want op dat moment ontbreken de beelden die emotie en geefbereidheid oproepen bij de kijkers. “Ik constateer heel zakelijk dat een actie minder opbrengt als je geen echte hongerslachtoffers kunt laten zien.”
Bij een natuurramp of een aardbeving is het simpel: op dag 1 vindt de ramp plaats, op dag 2 staat het op de voorpagina’s en op dag 3 kan de actie van start. Bij honger is het anders. “Honger is een sluipmoordenaar”, stelt Ingrid Tuinenburg. “Het gaat heel langzaam, hier en daar vallen slachtoffers, zonder dat je duidelijk kan maken dat er een ramp aan het ontstaan is.”
Wijbrandi: “We hebben maanden lopen duwen en trekken, maar de journalistiek pikte het niet op.” Nederland is met zichzelf bezig, de perikelen in Den Haag, waar het kabinet Balkende gevallen is, bepalen het nieuws. Bovendien vragen journalisten zich af of de ramp wel zo erg is als de hulporganisaties ons willen laten geloven. “Ze zeiden: het is overdreven, wij zien het niet.”.
Eind november luidt de wereldvoedselorganisatie opnieuw de noodklok. De voedselcrisis heeft zich uitgebreid naar de Hoorn van Afrika. Volgens officiële cijfers is het aantal hongerenden inmiddels opgelopen tot 38 miljoen.
De hulporganisaties overleggen koortsachtig: wat is het beste moment is om een grote publieksactie te starten? Traditioneel zijn de donkere dagen voor Kerst uitermate geschikt om met collectebussen te rammelen. Het “ultieme fondswervingsmoment” heet dat in het marketingjargon van de hulporganisaties. Maar de verkiezingscampagne komt er aan, en in het buitenland is er de dreigende oorlog met Irak. Ondertussen wordt de druk van de hulpverleners in het veld steeds groter. Tuinenburg: “Doe iets, zeiden ze, de ramp staat voor de deur. Nog langer wachten vonden we niet verantwoord.”
Begin december neemt Wijbrandi namens de SHO contact op met Kees Dijk, hoofd mediabeleid en programmacoördinatie van de Publieke Omroep. Dijk is door de publieke omroepen en de commerciële zenders aangewezen als aanspreekpunt voor de hulporganisaties. Een jaar of tien geleden hebben de omroepen afgesproken dat de SHO aangeven of een nationale actie op televisie gerechtvaardigd is. De omroepen hebben daar niet de expertise voor. Vervolgens besluiten de omroepen in welke vorm daar aandacht aan wordt besteed. Dat varieert van spots tot een avondvullend programma. Dijk: “Wij zijn eindverantwoordelijk, maar het gaat altijd in onderling overleg met de SHO.”
Er wordt gekozen voor het low-profile scenario: tv- en radiospots. Waarom is een ramp die 38 miljoen mensen bedreigt geen aanleiding om alles uit de kast te halen? Dijk: “Wij maken gewoon een professionele afweging. Dat is puur marketing. En kijkcijfers, ja uiteraard, hoe hoger hoe beter. Waar zijn die 38 miljoen mensen mee gebaat? Dat is zoveel mogelijk geld, toch? We denken dat het niet voldoende leeft, hebben wij gezegd. Het drong niet door. En onze eigen mensen kwamen niet met de alarmerende beelden terug die je nodig hebt. We kwamen tot de conclusie dat een televisieavond geen goede zaak zou zijn. Dat het qua moeite, geld en inzet niet het gewenste resultaat zou opleveren.”
Een klassieke, avondvullende televisieavond kost de omroepen zo’n drie- tot vierhonderdduizend euro, schat Dijk. Een flinke hap geld in een tijd van forse bezuinigingen. Dijk ontkent dat ook de kosten een rol hebben gespeeld. “Ik wil niet hoogdravend doen, maar we vinden dat we gewoon een maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben bij dit soort gebeurtenissen. Daar hebben we geld voor gereserveerd. Het is voorgekomen dat we in een jaar drie nationale acties hebben moeten ondersteunen met meer dan spots. Een forse aderlating, maar zo is het nu eenmaal.” De dreigende inval in Irak heeft wel meegespeeld, geeft hij toe.
De samenwerkende hulporganisaties protesteren niet. Ook zij maken een puur zakelijke afweging. Wijbrandi : “Het klinkt wat kil, maar er moet een gezonde verhouding zijn tussen wat je erin steekt en wat je aan opbrengst verwacht.” Een grote televisie actie kost de hulporganisaties tegenwoordig al gauw een miljoen euro. De productiekosten worden betaald door de omroepen, maar het telefoonpanel, kosten van mailingen, advertenties en een deel van de reportagekosten zijn voor rekening van de hulporganisaties. “Voor minder dan 12 miljoen beginnen we er niet aan”, zegt Wijbrandi. Om direct daarna de bal weer terug te spelen naar de media. “Je kunt zoiets pas organiseren als iedereen in Nederland begrijpt wat er aan de hand is. De adrenaline van de journalist moet die kant uitstromen. Daar hebben wij weinig invloed op.”

Begin januari staat de teller op 2 miljoen euro. De schamele opbrengst leidt tot verontwaardigde reacties. Is Nederland de honger zat? Staatssecretaris Van Ardenne van ontwikkelingssamenwerking spreekt op radio 1 haar teleurstelling uit: “Ieder mens, ieder kind, iedere vrouw die sterft van de honger, dat is toch verschrikkelijk! Juist daarom is het resultaat dat is opgehaald zo bedroevend.” De bewindsvrouw stelt 5 miljoen euro beschikbaar voor de actie, te besteden in Afrika.
Het ongemakkelijke gevoel-waarom gebeurt er niets- slaat over op de media. Hoofdredacteur Anna Visser van de Nieuwe Omroep klimt in de pen om de publieke omroep de oren te wassen. “Het is schandalig dat we in een wereld leven waarin mensen van de honger omkomen. Het is ook schandalig dat anno 2003 hulporganisaties een beroep op publiek moeten doen om nood te kunnen lenigen. Maar het is superschandalig dat onze publieke omroep het verhongeren van 38 miljoen mensen naast kijkcijfers durft te leggen”, schrijft ze.
VPRO’s Tegenlicht maakt , volgens de redactie uit machteloze woede over het motief van de publieke omroep om geen zendtijd ter beschikking te stellen voor een tv actie, een extreme uitzending over de honger. Een vijftig minuten lang durend, ononderbroken shot over hoe honger er uit ziet in een klein dorp in Ethiopië. Niet omdat ze een tv actie wilden beginnen, legt cameraman Hans Fels uit. De VPRO is überhaupt nooit zo eager op dat soort liefdadigheidgedoe van de televisie. “Het was meer een Pietje Bell-actie: hebben jullie geen beelden? Dan zullen we jullie wat beelden geven.”
Tot Fels’ verbazing levert de uitzending enorm veel respons op. Uit onverwachte hoek. De film wordt van internet geplukt door Ethiopiërs in de Verenigde Staten en Canada. In die landen woont een grote Ethiopische gemeenschap. Zij organiseren een inzamelingsactie. “Het is net alsof dat dorp een loterij heeft gewonnen. Er komt een gek langs met een camera en plotseling krijgen ze alle steun.”
Ingrid Tuinenburg heeft het programma ook gezien. “50 minuten, pff, ik ben trots dat ik het uitgekeken heb.” Je maakt haar niet wijs dat er veel mensen zijn blijven hangen. Een verrassende uitzending, ja. “Maar ik ben niet zo bezig met verrassende televisie. Ik ben bezig met effectieve fondswerving.”
Beter te spreken is ze over het initiatief van de EO, eind februari, om als gezamenlijke publieke omroepen de SHO alsnog te hulp te schieten. Maar voor een grootschalige publieksactie is het dan te laat. De oorlog in Irak kan ieder moment uitbreken. Kees Dijk: “Dat ging niet om het geld, maar om de mensen. Een logistiek probleem. Als dat zou gebeuren dan zou er geen camera meer zijn om ook maar iets te doen.” In de week van drie tot tien maart besteden alle publieke omroepen in hun lopende programma’s aandacht aan hongerend Afrika. Ondersteund door spots, die ook door de commerciële zenders worden uitgezonden.
Uiteindelijk levert de actie ruim 7 miljoen euro op, plus 5 miljoen van de overheid. Een tegenvaller, gezien de hoge verwachtingen in het najaar. Maar de SHO weigert van een mislukking te spreken. Het geld wordt besteed aan noodhulpprojecten zoals voedseldistributie, voedselzekerheid, landbouwprojecten en medische zorg.

“De media zijn de schuld”

Merkwaardig genoeg komt er nauwelijks commentaar op de pavlovreactie van de Samenwerkende Hulporganisaties. Als de hongersnood zo ernstig is, waarom reageren ze dan zo berustend op het besluit van de omroepen? Is er echt zo weinig aandacht voor Afrika als ze beweren? En waarom doet Artsen zonder Grenzen, een van de negen aangesloten organisaties, niet mee aan de nationale actie?
In december opent het NOS journaal met de honger in Ethiopië. En al in november 2002 nemen de gezamenlijke actualiteitenrubrieken van de publieke omroep het initiatief tot een grote avondvullende journalistieke actie op de televisie. Maria Henneman, voorzitter van de werkgroep actualiteiten: “Wij waren allemaal van plan om verslaggevers naar Afrika te sturen. We wilden een avond maken over de honger en de achterliggende problemen. Maar van de SHO kregen we te horen dat het niet opportuun was. Later wilden ze weer wel. Als je eerst nee krijgt en dan weer weken later ja, dan begrijp je dat wij zoiets niet meer op de rails krijgen.”
De hulporganisaties kunnen zich niets van het initiatief herinneren. Kees Dijk wel. “Wat ik gezegd heb is dat een avondvullend programma geen goede zaak zou zijn. Dat vond de SHO ook. Er is nooit licht geweest tussen het standpunt van de SHO en dat van ons.”
Conclusie: noch de hogere regionen van de omroep, noch de hulporganisaties wilden een televisieavond. De actualiteitenrubrieken hadden natuurlijk op eigen houtje zo’n avondvullend programma kunnen maken. Maar dan hadden ze zelf voor alle kosten op moeten draaien.

“Een nationale actie is gebaseerd op het gegeven: wij gaan iets samen doen!”, zegt Jacques Willemse, rampenbestrijder van Kerken in Actie en al sinds 1984 betrokken bij Afrika acties.
“Als je dat gevoel laat wegwerken door ruzies en problemen onderling, kan je het schudden. Mensen hebben daar een hele fijne neus voor. Dat is wat er gebeurd is.”
De organisaties hebben eindeloos gebakkeleid over de vraag of en wanneer er een nationale actie moet komen. Willemse: “Een concentratie op Afrika zuigt middelen uit de markt. Als je net bezig bent met je eigen actie en daar dendert een Afrika actie overheen, dan kun je er donder op zeggen dat je veertig tot vijftig procent van je opbrengst kwijt bent. Voor een aantal organisaties speelde dat.”
Ingrid Tuinenburg: “Natuurlijk heeft iedere organisatie ook zijn eigen actie. Zo’n 555 actie beinvloedt misschien het geefgedrag van je eigen donateurs. Maar dat heeft vindt absoluut geen rol gespeeld. Ook niet bij de andere organisaties.”
Volgens Willemse zijn er ook meningsverschillen tussen “one- issue”organisaties als Artsen Zonder Grenzen en Terres de Hommes en organisaties met een brede taak- Mensen in Nood, NOVIB, Kerken in Actie-, zegt Willemse: “Wij zitten twintig jaar in een land. Als mijn lokale partner in Zimbabwe een jaar lang de verantwoordelijkheid krijgt voor voedseldistributie onder drieduizend ontheemden, dan praat je dus over vele miljoenen. Mijn makkers in Zimbabwe kan ik moeilijk zeggen vandaag hebben we geld, morgen weten we het niet. Dat is een heel ander verhaal dan Artsen zonder Grenzen die met een paar teams in en uit vliegen. Wij hebben dus sneller belang bij een nationale actie, die flink wat geld oplevert, zodat we weer anderhalf jaar vooruit kunnen. “ Ruud Huurman van Artsen zonder Grenzen wijst de kritiek van de hand. “Onzin, we zitten al 15 jaar in Angola.” Artsen zonder Grenzen kijkt als medische hulporganisatie anders naar een voedselcrisis. “Als wij spreken van een voedselcrisis, bedoelen we daarmee een forse toename van de ondervoeding.” Andere organisaties kijken meer naar voedseltekorten, zij baseren zich op andere cijfers. Huurman: “We zagen op kleine schaal, in een klein aantal gebieden een toename van de ondervoeding. Maar er was geen ernstige afwijking van de normale situatie. Daarom hebben we niet meegedaan. We vinden dat je geen nationale actie moet voeren als er geen acute crisis is.”
Twijfel over de cijfers is er niet alleen bij Artsen Zonder Grenzen. Alle hulporganisaties weten dat de 38 miljoen van de wereldvoedselorganisatie geen harde aantallen zijn. Wat doe je als mensen straks vragen: waar zijn die miljoenen die doodgingen van de honger? En de boodschap is toch al lastig te communiceren. Zimbabwe is een drama, Malawi heeft onder druk van het IMF zijn voedselvoorraden verkocht, Ethiopië voert een desastreus landbouwbeleid. De boodschap is te gecompliceerd, er is geen aandacht voor, roepen de marketeers van de organisaties. Het resulteert in een halfslachtige actie, eindeloos gerekt en zonder overtuiging gevoerd.
“Zelfkritiek is niet de sterkste kant van de hulporganisaties”, schampert Willemse. Hij vindt dat de SHO zich eens flink achter de oren moet krabben. “Wat doen we als de media zeggen; we doen niet mee? Hebben we dan een plan B? Welke belangentegenstellingen zijn er? Is de fondswerving niet teveel vercommercialiseerd? Als je naar Afrika kijkt zie je een economische crisis die steeds erger wordt. Dat is niet ingewikkeld, maar weinig bemoedigend. Het is niet des fondswervers om met dat soort hopeloze boodschappen de markt op te gaan. Ik denk: je moet gewoon eerlijk zijn en mensen dat verhaal durven vertellen.”

Honger is niet meer wat het geweest is

Ook zonder de verkiezingen en de oorlog in Irak was de aandacht voor de voedselcrisis in Afrika waarschijnlijk minimaal geweest. Want honger is niet meer wat het geweest is. We zijn te beschaafd om mensen nog als vliegen te laten sterven, zoals destijds in Ethiopië. Honger ondermijnt tegenwoordig in stilte.
Dit mogen we nooit meer laten gebeuren, besloten de Verenigde Naties, hulporganisaties en overheden na de ramp in Ethiopië. Dankzij vernuftige alarmsystemen -early warning systems- is de honger beheersbaar geworden. De early warning systems zien voedseltekorten al maanden van tevoren aankomen. Vervolgens vertellen regeringen en de wereldvoedselorganisatie (WFP) hoeveel voedselhulp nodig is.
De paradox is dat door de verbeterde technieken excessen uitblijven. Er vallen nog geen doden, dus zal het wel meevallen met die voedselcrisis. Maar wachten tot het echt uit de hand loopt is ook geen optie.
De aantallen hongerenden die regeringen en VN organisaties afgelopen jaar opgaven, stegen in amper een half jaar van 12 tot 38 miljoen. Voorspellingen over hongersnood zijn zo betrouwbaar als het weerbericht. Oogstverwachtingen kunnen nooit met zekerheid voorspeld worden. Gebruik je satellietfoto’s of landbouwstatistieken, wat tel je, wanneer doe je dat en welke gegevens laat je dominant zijn? De technieken zijn de afgelopen 20 jaar steeds verder verfijnd, maar er zitten zoveel variabelen in dat de marges in de miljoenen kunnen lopen.
Bovendien, je krijgt altijd minder, dus bestaat de neiging om te overvragen.
“Het is een spiraal, wie biedt meer?” zegt fotojournalist Petterik Wiggers. Wiggers maakt al jaren reportages in Oost-Afrika. Het is weer net als in 1984 in Ethiopië, hoe vaak hij dat al niet gehoord heeft. Het WFP voorspelt tot decimalen hoeveel mensen slachtoffer worden, maar ze weten amper hoeveel mensen er wonen, zegt Wiggers.
In 1999 reist hij samen met een fact-finding missie van Artsen Zonder Grenzen 14 dagen door een gebied in Zuid-Ethiopië. De mensen zijn arm, de voedselvoorraden klein en in sommige dorpen is vee gestorven. Ernstig, maar niet anders dan andere jaren, constateert Wiggers. Bij terugkeer in Addis Abbeba is er net een persconferentie van de wereldvoedselorganisatie aan de gang. Het WFP noemt cijfers van 8,3 miljoen mensen op het punt van sterven. Een van rampplekken is het gebied waar Wiggers net vandaan komt. De volgende dag staan de cijfers op de voorpagina’s van de kranten. Zes weken daarna zijn de cijfers al opgelopen tot 13,6 miljoen. Een hoge functionaris van de wereldvoedselorganisatie bevestigt later -anoniem- zijn vermoeden: “it’s not a major disaster”. Eenmaal terug in Nederland krijgt Wiggers half Nederland over zich heen, als hij in een interview zegt dat er niets nieuws onder de zon is. Wat ga ik laten zien als het werkelijk uit de hand loopt, vraagt hij zich af. Die plaatjes hebben we vorig jaar ook al gezien, achteraf viel het allemaal wel mee. “Mijn grote angst is: wie gelooft het nog als het echt helemaal misgaat?”

Critici stellen al jaren dat de hulpverlening een industrie is geworden, die zichzelf in stand houdt. Een industrie, die ondanks nobele doelstellingen, de markt verpest voor lokale boeren, die nog wel voedsel produceren. Die dictators in de kaart speelt en falend beleid verdoezelt. Maar, zeggen hulporganisaties, is dat reden om de hongerende bevolking links te laten liggen? Alex de Waal, scherp criticaster van de hulpindustrie en auteur van het veelgeprezen boek “Famine Crimes”, heeft jarenlang betoogd dat het middel erger was dan de kwaal. Nu niet meer. De Waal onderzoekt in opdracht van Kofi Annan de gevolgen van de aidsepidemie in Afrika. Die epidemie maakt deze hongersnood anders dan alle voorgaande, zegt hij in een interview met de Volkskrant. Afrikanen weten als geen ander om periodes van voedseltekorten door te komen, maar aids vernielt het traditionele overlevingssysteem. Als er te weinig voedsel is gaan allereerst de volwassenen minder eten. Maar seropositieven, vaak al dertig procent van de volwassenen, hebben juist meer voedsel nodig omdat ze anders geen weerstand hebben tegen allerlei infecties en ziektes. Hulp zoeken bij familie, een andere strategie, werkt ook steeds minder. Gezonde familieleden zijn al overbelast door de zorg voor de vele aidswezen. De groep van jonge volwassenen, die ondervoede ouderen en kinderen vroeger door een hongerperiode heen hielp, zijn aan aids gestorven. Ook het ambtenarenapparaat wordt uitgehold, waardoor regeringen steeds minder in staat zijn de bevolking te voeden. Hulporganisaties moeten de gaten vullen, vindt de Waal. Er is geen sprake meer van een tijdelijk voedseltekort, maar van een ernstige, chronische voedselcrisis. En als de hongerramp echt losbreekt, zal die van ongekende omvang zijn.

Ver weg is uit

“Die beelden van zielige kindertjes in de modder hebben we wel gezien”, zegt Eppo van Nispen tot Sevenaer, hoofdredacteur van SBS nieuwsprogramma's, waaronder het succesvolle ‘Hart van Nederland.’ Maar schijt aan Afrika, en donder maar op met die honger en die aids, dat zul je hem niet horen zeggen. Als een hongerramp het gesprek van de dag wordt in Nederland, zal Hart van Nederland daar zeker aandacht aan besteden. “Maar zo is het niet, wie maakt zich nou druk om aids in Afrika? Niemand is er echt mee bezig.”
Buitenlandonderwerpen gaan sowieso zelden mee in de nieuwsprogramma’s van SBS. De kijkers willen niet te ver van huis. Ze krijgen zoveel ellende voorgeschoteld, ze keren zich van die werkelijkheid af. Het is steeds meer: wat gebeurt er bij ons in de straat?
Dichtbij scoort, ver weg is uit. In de slag om de kijker gaan ook de publieke omroepen mee in die trend. Hun marktaandeel is gezakt tot 38 procent. Kijkcijfers zijn allesoverheersend geworden. Programmamakers baseren er hun beleid op, de zenders bepalen er mee op welk moment welk programma wordt uitgezonden. En waar denken de omroepbazen in Hilversum aan als ze zich de kijker voor de geest halen? Aan minder zware kost, minder documentaires en aan meer soaps, meer spelletjes en lichte informatie.
In de afgelopen tien jaar is het aantal programma’s over de Derde Wereld verdubbeld, constateert de Nationale Commissie voor Internationale Samenwerking en Duurzame Ontwikkeling (NCDO), die televisieprogramma’s over ontwikkelingslanden onderzocht. Maar de programma’s die er aandacht aan besteden worden steeds luchtiger. Dat heeft alles te maken met de aangescherpte regels voor sponsoring van televisieprogramma’s door bedrijven. De publieke omroep zocht een andere bron van inkomsten en vond die bij de charimarkt. Sponsoring door non-profitorganisaties is nog steeds toegestaan.
Programma’s die nog wel achtergronden laten zien, worden buiten prime time uitgezonden. En Afrika is uit: het aantal programma’s over Afrika daalde van 35 naar 20 procent. Voor ontwikkelingsorganisaties wordt het steeds moeilijker om hun verhaal te vertellen. Ze willen niet blijven steken in zielige verhalen. Honger gaat niet alleen over droogte, maar ook over oorlog, handel en falend leiderschap. Maar die boodschap is te ingewikkeld voor luchtige programma’s.
Ook serieuze programma’s besteden relatief steeds minder aandacht aan ontwikkelingslanden. Dat heeft te vooral maken met geldgebrek, vindt hoofdredacteur Kees Boonman van Netwerk.
“Je wilt iets goeds maken, iets dat mensen raakt. En dan draait het toch gewoon om geld. Het is duur om een ploeg naar Afrika te sturen.” Er speelt nog iets mee, zegt hij. Politici zijn steeds minder bereid om dit soort onderwerpen te politiseren. Dat maakt het voor actualiteitenrubrieken ook lastiger om er op door te gaan.
Hulporganisaties zouden ook kritischer naar zichzelf mogen kijken, vindt Boonman. “Ik zou ze willen oproepen meer structureel met ons in discussie te gaan. Nu blijft de communicatie beperkt tot: willen jullie daar aandacht aan besteden; en van onze kant: hebben jullie de centen?”
Maar hoe zit het dan met de eigen verantwoordelijkheid van journalisten? Waarom zijn ze niet meer vooruit te branden als het gaat om Afrika? Boonman: “Dat geldt voor Afrika, maar ook voor Latijns-Amerika. Dat lijkt ook niet meer te bestaan, behalve wanneer Maxima daar op bezoek is. We hebben via satelliet en internet toegang tot de hele wereld, maar in journalistiek opzicht zijn we weer terug bij begin jaren zeventig” Journalisten zijn weer helemaal op de mainstream, ze gaan waar het nieuws gaat. “Het is nu Irak, daar gaan we allemaal op zitten. We doen minder ons best om onder de aandacht te brengen wat we zelf belangrijk vinden. Die kritiek moeten we ons aantrekken.”
“Schijnheilig”vindt Van Nispen tot Sevenaer. “Als Boonman dat zo belangrijk vindt, waarom doet hij er dan niets aan?”

Toekomst

Hebben hulporganisaties en de televisie elkaar in de toekomst nog iets te vertellen? Fondswervende krakers als de postcodeloterij zullen voorlopig niet van de buis verdwijnen. En als het echt uit de hand loopt in Afrika, komt zo’n klassieke televisieavond er vast ook wel weer. Voor hulporganisaties die meer willen dan fondsen werven via de televisie, is er geen simpel recept. Ze zullen zich moeten afvragen of wat ze uitdragen nog nieuwswaarde heeft. Nu komen de meeste steeds met hetzelfde verhaal. Wie echt iets nieuws te vertellen heeft, haalt nog steeds de televisie. Toen Terre des Hommes onlangs een rapport uitbracht over sekstoerisme in Gambia stonden de actualiteitenrubrieken in de rij. In plaats van de media te gebruiken om de eigen naamsbekendheid te vergroten of zoveel mogelijk geld op te halen, zouden ze programmamakers ook kunnen helpen om op een inzichtelijke manier te berichten over complexe problemen. Dan moeten ze wel een eerlijk verhaal willen vertellen, ook al is dat misschien weinig hoopgevend en levert dat minder centen op. Maar kijkers zijn niet gek, die maken hun eigen afweging.
En programmamakers, waarom zijn die niet wat eigenwijzer? Over Afrika is meer te vertellen dan het verhaal van de hulporganisaties, zeggen ze. Inderdaad, het continent zit vol mooie, schokkende, en spannende verhalen. Alleen, we zien er zo weinig van op televisie. Zitten kijkers echt te wachten op de veertigste reportage over Irak?
Tenslotte, Orange babies organiseert al een paar jaar succesvolle modeshows om geld in te zamelen voor hulp aan Afrikaanse vrouwen en babies met aids. Daar komt geen zielige Afrikaan aan te pas, alleen bloedmooie vrouwen.



De Samenwerkende Hulporganisaties zijn een samenwerkingsverband van Nederlandse hulporganisaties. Bij grote rampen werken wij samen met als doel: geld inzamelen via de massamedia, informatie geven over de situatie in het rampgebied, de hulp aan het getroffen gebied zo goed mogelijk afstemmen. Aangesloten organisaties: Cordaid (Memisa / Mensen in Nood), Nederlands Rode Kruis, Artsen Zonder Grenzen . Kerkinactie, NOVIB, Ned. Comité Unicef, Stichting Vluchteling, Terre des Hommes Ned., Tear Fund

Afrika acties
(opbrengst is inclusief overheidsbijdrage)

Eén voor Afrika (1984): 44 miljoen euro
Afrika Nu (1988): 23,5 miljoen euro
Help Soedan (1988) 2,3 miljoen euro
Actie Ethiopië (1989) 8,3 miljoen
Afrika sterft van de honger (1990) 17,4 miljoen
Actie voor Afrika (1992): 18,5 miljoen euro
Ruanda (1994): 36 miljoen euro
Soedan sterft van de honger (1998): 8,1 miljoen euro
Watersnood in Mozambique (2000): 10,9 miljoen euro
Help hongerend Afrika nu (2002/2003): 12,5 miljoen euro

© Ditty Eimers. Overname van teksten alleen na toestemming. info@dittyeimers.nl