Isabeth Mijnarends: 'Niemand weet echt wat de oplossing is'

PrintE-mail

Isabeth Mijnarends: 'Niemand weet echt wat de oplossing is'

mijnarendsJ/M, maart 2012

Jeugdofficier van Justitie Isabeth Mjnarends wil niet alleen straffen. Ze hoopt dat criminele jongeren ook gaan nadenken over de gevolgen van wat ze hebben gedaan. Dat wordt steeds lastiger. ‘Het probleem van criminele straatjongeren is veel venijniger is dan we vaak doen voorkomen.’

‘In de rechtszaal kan ik reuze pinnig zijn, hoor’, zegt Isabeth Mijnarends, jeugdofficier van Justitie in Utrecht. Ze hoort wel vaker ze zo’n vriendelijke uitstraling heeft. Niet het eerste waar je aan denkt bij een officier van justitie die jonge criminelen aan moet pakken. ‘Als het nodig is speel ik de boeman. Maar juist bij jongeren is het waanzinnig belangrijk om ook steeds contact proberen te maken.’ Nog steeds is ze er van overtuigd dat er maar heel weinig echt rotte zielen zijn. Ook gelooft ze –soms tegen de klippen op- dat de meeste jeugdige daders hun leven kunnen beteren, als ze maar op de juiste manier worden aangepakt. Maar er zijn ook momenten dat ze moedeloos en mistroostig is. Steeds vaker blijven jonge verdachten hardnekkig ontkennen dat ze schuldig zijn. Ook als overduidelijk is dat ze iets op hun kerfstok hebben. ‘Ik ben een idealist, maar als er iets is dat ik heb geleerd, is het dat mijn invloed enorm beperkt is.’

De criminaliteit onder jongeren is niet toegenomen, maar wel verhard, blijkt uit onderzoek. Wat merkt u daarvan?

'Dat er meer en sneller geweld wordt gebruikt door jongeren. Het gaat om een kleine groep, laat dat duidelijk zijn. Maar het gemak waarmee die jongens winkels beroven of inbreken in huizen waar mensen liggen te slapen: dat zag je tien jaar geleden nog nauwelijks. Is hun mobieltje kapot? Dan gaan ze gewoon een nieuwe halen. Of ze trekken iemand van de fiets en geven hem ook nog een schop na.’

Hoe komt dat volgens u?

‘Dat is voor een deel gissen. De groepsdruk is natuurlijk gigantisch groot bij jongeren van 16, 17 jaar. Wat we weten is dat jongens die dit soort dingen doen vaak een ontwikkelingsstoornis hebben. Zolang ze geen nee te horen krijgen, denken ze dat ze hun gang kunnen gaan. Ze komen meestal uit gezinnen waar geen grenzen worden gesteld. Er is een groep laagbegaafde ouders die volstrekt niet in staat is om op te voeden. En een groep Marokkaanse ouders die in een hele andere wereld leeft dan hun kinderen. Ze hebben geen flauw idee wat hun zoons op straat uitspoken. ‘Thuis is het zo’n lieve jongen, hij zorgt zo goed voor de kleintjes’, hoor ik vaak als zo’n jongen wordt opgepakt door de politie.

Weten deze ouders echt niet waar hun kind mee bezig is ?

‘Soms weten ze het niet, soms dekken ze het toe. Je wilt niet weten wat wij soms in huizen aantreffen. Peperdure televisies in de woonkamer, gouden sieraden onder het ouderlijke bed, hele dozen met Calvin Kleinonderbroeken in de berging… Die ouders weten dus heel goed wat er aan de hand is. Niet dat ze er trots op zijn dat hun kind een overval heeft gepleegd; dat kom ik eigenlijk nooit tegen. Meestal is het pure onmacht. Ze hopen dat vadertje staat hun probleem gaat oplossen.’

Moeten die ouders verantwoordelijk worden gesteld voor wat hun kinderen uithalen?

‘Natuurlijk moeten we ouders aanspreken op hun verantwoordelijkheid. Het is goed als er ook een bepaalde druk op ouders komt te liggen. Zo van, als uw kind weer ontspoort, moeten we misschien ook iets met u gaan doen. Maar alleen als laatste redmiddel. Want als het die ouders aan opvoedvaardigheden ontbreekt, kun je veel beter iets doen in de preventieve sfeer: ingrijpen zodra je merkt dat ze geen controle willen of kunnen uitoefenen over hun kinderen. Door ze te helpen met de opvoeding of desnoods een gezinsvoogd aan te wijzen.' 

Hoe vaak worden de echte daders gepakt? Of zijn het meestal de domme, onhandige jongens die tegen de lamp lopen?

‘Dat is een pijnlijke vraag. Ik weet het eerlijk gezegd niet. De pakkans is iets verbeterd, maar nog steeds niet supergroot. Er is een hele wereld die wij niet zien. Wijkagenten zeggen dat ook. Die weten dat gehaaide jongens een snelle auto pakken en een eind verderop drugs gaan dealen of inbraken plegen. Wat me wel opvalt is dat ik steeds vaker laagbegaafde jongeren krijg voorgeleid.’

Zijn dat jongeren die worden meegesleept door gewiekste raddraaiers?

‘Je zou verwachten dat het meelopers zijn, maar dat is lang niet altijd zo. Ze kunnen ook leider zijn. Het zijn jongens die wel degelijk streetwise zijn en ook het verschil tussen goed en kwaad kennen. Het probleem is dat ze geen relatie zien tussen hun gedrag en wat ze aanrichten. Bij een normale ontwikkeling komt dat besef vanaf een jaar of twaalf op gang, maar zij blijven als het ware stilstaan op die leeftijd. Een verschrikkelijk lastige groep, die je heel moeilijk kunt aanspreken op hun gedrag.’

In een recent onderzoek wordt gesproken over ‘onaantastbaren’: een groep criminele straatjongens die geen strobreed in de weg wordt gelegd. Niet door ouders, maar ook niet door langs elkaar heen werkende instanties en rechters.

‘Ik kan daar heel boos en verdrietig om worden. Waarom is er niet veel eerder ingegrepen, denk ik vaak. Als die jongens 11, 12 jaar zijn en je merkt dat ze spijbelen en grote jongens gaan nadoen, zijn ze nog te sturen. Hulpverleners zijn van goede wil, maar het is te veel pappen en nathouden. Laten we het nog een keertje proberen, is het al snel. Voordat jongeren bij mij komen is er al heel wat geprobeerd en aangerommeld. En wij zeggen ook weer: eerst een werkstrafje, dan een beetje begeleiding. Als ze 17 zijn halen ze hun schouders op over ons rechtssysteem. Dan is het te laat en zijn ze verrot.’ 

Wat doet u als u zo’n totaal onverschillige jongen op een zitting tegenkomt?

‘Als ik het gevoel heb dat er nog een opening is, probeer ik door dat pantser heen te breken. Soms lukt dat. Soms zit ik er volledig naast en wordt een verdachte nog geslotener. De notoire ontkenners die steeds terugkomen kunnen echt het bloed onder mijn nagels vandaan halen. Er zijn er die lachen als je ze aanspreekt op hun gedrag. Of ze gaan smalend sissen: ‘tsss, tsss’.Ik heb geleerd om te denken: bekijk het maar, doe jij maar lekker je ding. Als je boos wordt, kom je in een machtsstrijd terecht. Ik vind dat ik erboven moet staan, maar dat lukt niet altijd.’

Is het minachting voor de overheid, wat u bij deze jongens ziet?

‘Het is heel ingewikkeld, want het is niet alleen arrogantie. Er zit ook schaamte bij, geen gezichtsverlies willen leiden. Zeker bij Marokkaanse jongens. Terwijl wij als officieren en rechters heel calvinistisch willen dat daders schuld bekennen en zeggen dat het ze spijt. Hou daarmee op, was de boodschap van een cursus die ik pas heb gevolgd. Zeg gewoon: dit is het bewijs en deze straf hoort daarbij.’

Waarom haalt u die jongens niet gewoon voor langere tijd van straat?

‘Dat is de bekende pavlovreactie: opsluiten die hap. Liefst zo lang mogelijk. Natuurlijk, jongeren die ernstige feiten hebben gepleegd moeten naar de jeugdgevangenis. Dat doen we om duidelijk te maken dat het niet kan wat ze hebben gedaan. En om tegemoet te komen aan het rechtsgevoel van de samenleving. Maar we weten allemaal dat we met opsluiten niets opschieten. De criminaliteit wordt er niet minder van. Uiteindelijk moeten al die jongeren weer terug naar huis. Als daar niets veranderd is, is het enige wat je hebt bereikt dat ze nog cynischer zijn geworden. Ik denk dat we moeten erkennen dat het probleem venijniger is dan we vaak doen voorkomen. En dat niemand echt weet wat de oplossing is. Hulpverleners, politie en justitie zitten nog steeds op eilandjes, dat werkt ook niet mee.’

Wat zou er volgens u moeten gebeuren?

‘We moeten veel sneller reageren als jongeren ernstig de fout ingaan. Geef ze een korte lik-op-stuk-straf en zorg dat je ze op de huid blijft zitten. Haal ze niet weg uit hun gezin als het niet hoeft, maar geef ze intensieve begeleiding, net als hun ouders. Zorg dat ze naar school en naar een sportclub gaan; verplicht ze om zich wekelijks te melden bij de wijkagent of de reclassering; maak afspraken over de vrienden waar ze mee om mogen gaan. ‘

Intensieve begeleiding is duur. Is daar wel geld voor nu er bezuinigd moet worden?

‘Dat is het grote probleem. Heel frustrerend, want uit onderzoek weten we dat dit de enige aanpak is die werkt. Ik ben ervan overtuigd dat ook een groot deel van die zogenaamde onaantastbaren op deze manier wel degelijk te beinvloeden is.’

Kunt u ook aan hun slachtoffers uitleggen dat ze beter niet opgesloten kunnen worden?

‘Ik voer veel gesprekken met slachtoffers. Er is een categorie die maar één blik in de ogen heeft: bloed aan de muur, wraak. Maar er zijn ook veel slachtoffers die liever zien dat de dader behandeld wordt, zodat het niet nog een keer gebeurt. Ik zou slachtoffers graag een grotere rol geven. Want juist bij jongeren kan de vraag “Weet je wel wat je mij hebt aangedaan?” heel goed werken. Je ziet ze soms openbreken, prachtig om te zien.’

U heeft het steeds over jongens. Hoe is het met meisjes?

‘Die zien we niet zoveel bij het Openbaar Ministerie. De enkele keer dat ik meisjes tegenkom, zijn ze van een heel ander kaliber dan de jongens. Geen gewiekste krengen die de criminaliteit in gaan, maar kwetsbare meisjes met veel problemen. Meestal hebben ze gevochten op straat of iets gejat in een winkel. En af en toe zie ik een meisje dat slachtoffer is van loverboypraktijken.’

Bent u in de loop der jaren opgeschoven in wat u erg vindt en minder erg?

‘Ik kijk niet snel meer ergens van op. Maar als er menselijke slachtoffers zijn, blijft het naar. Bij heel ernstige misdrijven als moord of doodslag heb ik nog steeds dezelfde vragen. Hoe kan het dat een kind zo ver komt? Wat is er fout gegaan? Valt het ooit nog te herstellen? Bij een volwassene denk ik eerder: ga maar levenslang de gevangenis in of de tbskliniek. Maar bij een kind wil ik daar niet aan. Daar heb ik altijd de stiekeme hoop dat er nog iets te verbeteren valt. Omdat het haast niet te verdragen is dat zo’n jong leven voorgoed is vergooid.’

U bent naast officier ook moeder van vier kinderen. Heeft dat invloed op uw werk?

‘Ik geloof niet dat ik kwetsbaarder of emotioneler ben dan wanneer ik geen kinderen had gehad. Ik heb nog steeds een optimistisch mensbeeld en ik ben ook niet bang geworden. Mijn dochter zal toch gewoon op de fiets moeten, ook in het donker. Wel denk ik vaak: wat maakt het toch veel uit waar je wiegje staat. Ik weet best dat je als ouder lang niet alles in de hand hebt, maar ik ben wel in de positie dat ik dingen kan regelen voor mijn kinderen. Daar prijs ik me iedere dag gelukkig mee.’ 

© Ditty Eimers. Overname van teksten alleen na toestemming. info@dittyeimers.nl