Pedomaatjes

Pedomaatjes

pedoafbVrij Nederland, 12 april 2014

Pedoseksuelen worden door iedereen uitgekotst. Vrijwilligers van de reclassering doen het tegenovergestelde: ze adopteren pedoseksuelen die hun leven willen beteren. ‘Wij zijn geen buddy's die een pedoseksueel pamperen.' download pdf

door Ditty Eimers Illustratie Tamma Schuringa

‘Ik snap niet dat jij dit doet’, zei een vriendin tegen Els. ‘Jij kiest hun kant. Ik wil er helemaal niks over horen.’

‘Zet die griezels levenslang in de gevangenis. Of breek ze de benen en hang er twee bakstenen aan’. Dat is vaak de eerste reactie van kennissen van Robert en Martin, als ze vertellen over hun vrijwilligerswerk. Iedere week spreken Els (50), Martin (59) en Robert (45) een avond af met een zedendelinquent, een pedoseksueel. De ene keer gaan ze bowlen, wandelen in het park of een biertje drinken. De andere keer bespreken ze wat hij die week gedaan heeft, waar hij tegenop ziet en hoe hij dat aan zou kunnen pakken.

Cirkels van ondersteuning

De drie zijn vrijwilliger bij COSA: Cirkels van Ondersteuning Samenwerking en Aanspreekbaarheid, een project van Reclassering Nederland. COSA is een in Canada ontstaan burgerinitiatief. Drie tot zes vrijwilligers vormen -naast professioneel toezicht en hulpverlening- een cirkel rond een veroordeelde pedoseksueel die zijn leven wil beteren. Ze helpen hem om weer een zo normaal mogelijk leven te gaan leiden. De recidive daalt daardoor met zeventig tot ruim tachtig procent. Dat blijkt uit onderzoek in Canada en Engeland, waar al meer dan tien jaar volgens de COSA-methode wordt gewerkt. Zonder zo’n cirkel pleegt ongeveer 14% van de zedendelinquenten binnen vijf jaar opnieuw een zedenmisdrijf. Na 25 jaar kan de recidive oplopen tot 29 %. Vijf jaar geleden startte de reclassering het eerste proefproject met COSA-cirkels in Den Bosch. Inmiddels draaien er 35 cirkels in het hele land, met meer dan honderd vrijwilligers. Ook Benno L., de zwemleraar die ontucht pleegde met verstandelijk gehandicapte kinderen en na zijn straf een woning kreeg in Leiden, heeft sinds kort een groep vrijwilligers van COSA om zich heen.  

Pedojagers

Die ‘softe’ aanpak gaat lijnrecht tegen de publieke opinie in. Robert M., Benno L., rooms-katholieke priesters die zich jarenlang vergrepen aan kinderen: de ene na de andere grote kindermisbruikzaak kwam afgelopen jaren aan het licht. De afkeer wordt alsmaar groter, de woede komt er steeds ongeremder uit. Oppakken, opsluiten en nooit meer vrijlaten. Dat is wat het grote publiek wil. Pedojagers struinen databases af op zoek naar pedofielen: ‘We blijven ze net zo lang treiteren, totdat ze zelf voor de trein springen.’ Buurtbewoners gaan de straat op: ‘Weg pedofiel, geen pedofiel in onze wijk.’ Burgemeesters leggen gebiedsverboden op. Er zijn pedoseksuelen die al jaren in hun auto slapen, omdat ze overal geweerd worden. De burgemeester van Leiden, die het waagde om Benno L. een huis aan te bieden, werd met de dood bedreigd.

Staatssecretaris Teeven wil veroordeelde pedoseksuelen van wie gevreesd wordt dat ze opnieuw in de fout gaan, levenslang onder toezicht stellen. Minister Opstelten van Veiligheid en Justitie wil ze hun paspoort afnemen. Leefbaar Rotterdam is van plan speciale databanken op te richten, waarin wijkbewoners kunnen kijken of er in hun buurt een veroordeelde pedoseksueel woont. Voorman Joost Eerdmans, het ‘redelijke alternatief’ voor Wilders, trekt al jaren fel van leer tegen pedo’s. Hij vindt dat veroordeelde pedoseksuelen verplicht gecastreerd moeten worden. Wie dat weigert , mag nooit meer op vrije voeten komen.

Beslist geen softies

Wat bezielt gewone burgers om hun vrije tijd op te offeren aan mensen die door iedereen worden uitgekotst? Els, een goedlachse, nuchtere moeder van twee kinderen van 18 en 15, heeft een technisch-commerciële functie bij een onderhoudsbedrijf voor vliegtuigonderdelen. Ze zocht zinvol vrijwilligerswerk met mensen, liefst iets uitdagends. ‘Dit leek me razend interessant. Ik ben geen type om met ouden van dagen te wandelen.’ Ze heeft geen medelijden met zedendelinquenten, zegt ze. ‘Ik walg van kindermisbruik. De straffen zijn veel te laag.’

Ex-beroepsmilitair Martin is een kale, gespierde man. Hij geeft een meer dan stevige handdruk. Tijdens vredesmissies in Afghanistan en Irak zag hij wat voor ellende verkrachtingen van jonge meisjes aanrichten. Ook hij doet het niet voor de daders, zegt hij. ‘Daar heb ik geen sympathie voor. Ik wil voorkomen dat ze nieuwe slachtoffers maken. Die kans is kleiner als ze niet buiten de maatschappij komen te staan.’ Toen hij dat aan zijn zoons van 18 en 23 uitlegde, zag hij iets veranderen. Alsof ze dachten: verrek, daar zit misschien ook wel wat in.

Robert, een magere, bedachtzaam formulerende man, is verkoper bij een groothandel. ‘Wij zijn beslist geen softies’, zegt hij een paar keer. ‘Hoe bescherm ik mijn kinderen tegen die lui? Dat was voor mij het enige dat telde toen ze klein waren.’ Later kreeg hij ook oog voor de andere kant. Hij begon zich steeds meer te ergeren aan de schreeuwers. ‘Je kan een grote bek opzetten of met een steen voor het raam van een pedoseksueel gaan staan. Ik stroop liever de mouwen op om iets te doen dat helpt.’

Normale gozer

De man die ze begeleiden is een twintiger. Hij is veroordeeld wegens het downloaden van kinderporno en staat onder toezicht van de reclassering. Hij heeft autistische trekken en zit de hele dag thuis op de bank. Er is vrijwel geen familie die naar hem omkijkt, vrienden heeft hij niet. Meer willen ze niet over hem vertellen. Robert draait ongemakkelijk op zijn stoel. ‘Het moet wel werkbaar blijven voor ons. We willen zijn vertrouwen niet kwijtraken.’

‘Kernlid’ noemen ze hem. Pedoseksueel of zedendader vinden ze bij COSA te stigmatiserend klinken. ‘Deze mensen zijn al veroordeeld, dat moeten wij nog niet eens over doen’, zegt COSA projectleider Sylvia van Dartel. ‘De essentie is dat een kernlid echt wil veranderen.’

De eerste keer dat ze hem zouden ontmoeten, in een zaaltje op het kantoor van de reclassering, waren de drie behoorlijk gespannen. Hoe zou hij er uit zien, hoe zou hij reageren? Maar toen hij binnenkwam, dachten ze: oh, gewoon een normale gozer om te zien. Martin: ‘Hij had mijn buurman kunnen zijn.’

De man vertelde zonder omhaal wat hij had gedaan. Els: ‘Het verbaasde me hoe makkelijk hij erover praatte. Maar ik vond het ook knap, dat hij dat durfde te vertellen aan wildvreemden.’

Geen geheimen

Geen nieuwe slachtoffers en geen geheimen, dat is het uitgangspunt van COSA. Alleen ex-zedendelinquenten die erkennen dat wat zij hebben gedaan niet door de beugel kan, komen in aanmerking. Zij tekenen een contract waarin ze verklaren volledige openheid van zaken aan de vrijwilligers te geven. Niet alleen over hun delict, maar ook over hun gevoelens en hoe ze hun dagen slijten. ‘Zij weten dat de vrijwilligers er niet alleen zijn om te praten of om samen naar de bioscoop te gaan’, zegt Van Dartel. ‘Zij zijn ook de oren en de ogen van de reclassering.’ Van elke ontmoeting maken de vrijwilligers een verslag voor de cirkelcoördinator die in dienst is van de reclassering. Als vrijwilligers het gedrag van de pedoseksueel verdacht vinden, moeten ze dat direct melden. Trap nooit in de valkuil, dat een kernlid je apart neemt en dingen vertelt, die je niet door mag vertellen, hebben ze op de training geleerd. Krijgt de cirkelcoördinator het idee, dat een deelnemer oneerlijk is, dan wordt hij aangesproken en krijgt hij de opdracht het recht te zetten bij ‘zijn’ vrijwilligers.

Volgens Van Dartel staan lang niet alle deelnemende pedoseksuelen in het begin te trappelen om aan het project mee te doen. Vaak zijn ze wantrouwend: waarom zouden gewone burgers hen willen helpen en behandelen als mens? Pas als ze merken dat de vrijwilligers oprecht geïnteresseerd zijn, verandert dat.

Sommigen zien er tegenop dat ze alles moeten vertellen en steeds worden gecontroleerd. Met de billen bloot bij mensen die hun buren konden zijn, vinden ze veel spannender dan bij een behandelaar.

Van Dartel: ‘Er zijn ook kernleden die het juist prettig vinden dat ze door een groep burgers in de gaten worden gehouden. Ze willen hun leven beteren, maar ze weten ook dat willen en kunnen twee verschillende dingen zijn.’

Tegengas

In het begin had de reclassering moeite om vrijwilligers te vinden. ‘Daar gaan we onze mensen niet aan blootstellen’, reageerden vrijwilligersorganisaties die ze benaderden benauwd. Via advertenties in huis-aan-huisbladen, vonden ze toch meer dan honderd geschikte vrijwilligers. De jongste is 20, de oudste 89. ‘We krijgen steeds meer aanmeldingen’, vertelt Van Dartel. ‘Vaak van mensen die tegengas willen geven aan de heksenjacht die is ontstaan.’

De eerste maanden spraken Martin, Els en Robert hun kernlid wekelijks, altijd met zijn allen. Om elkaar te leren kennen praatten ze over van alles en nog wat: over computers, televisieprogramma’s, hobby’s. ‘Het is geen domme jongen, we hebben genoeg gespreksstof’, zegt Robert. Nu maken ze ook afspraken in tweetallen, in de kroeg of de sportschool. Els heeft laatst verteld dat ze kinderen heeft. Eerst durfde ze dat niet aan. ‘Hij vertelt ons meer dan wij hem’, zegt ze. ‘Maar we zijn wel steeds opener geworden.’

‘Als het eenrichtingsverkeer is, werkt een cirkel niet’, zegt Van Dartel. ‘Dan wordt het een jury en win je geen vertrouwen.’

Hij komt niet bij hen thuis en kent alleen hun voornaam. Hij kan ze 24 uur per dag bellen via het reclasseringsnummer, maar hun thuisnummers heeft hij niet. Robert: ‘We zijn geen vrienden, maar we hebben wel respect voor elkaar.’

‘Het is niet alleen gezellig met meneer’, zegt Martin. Robert: ‘Wij zijn geen buddy’s die een pedoseksueel pamperen.’ Ze hebben het ook over zijn delict en welke stappen hij zet om zijn leven weer op de rit te krijgen. Het is goed dat ze alle drie verschillend zijn, vindt Els. ‘We moeten als vrijwilligers een soort voorbeeldgedrag laten zien. Zodat hij merkt: je kan problemen op verschillende manieren oplossen.’

Seksuele fantasieën

Martin noemt de dingen graag bij de naam. ‘Wat voor seksuele fantasieën heb je?’ ‘Download je nog wel of niet?’ ‘Hoe kom je nu aan je behoefte, man?’

Els en Robert zijn voorzichtiger. Als ze merken dat Martin het kernlid te dicht op de huid zit, komen ze ertussen. Els vindt het nog steeds heftig om met een betrekkelijk onbekend iemand over intieme zaken te praten. ‘Aan wie stel jij ooit dat soort vragen? Voor hem moet het ook lastig zijn, maar hij geeft wel antwoord.’

‘We zijn dol op Martin’, zegt Van Dartel. ‘Maar we moeten geen vijf Martins in een cirkel hebben. Dan worden onze kernleden doodsbang.’

Nieuwe vriendin

De meeste pedoseksuelen die aan een cirkel deelnemen zijn teruggetrokken, angstige mannen. Een minderheid heeft wel familie en vrienden, maar vaak zijn die niet op de hoogte van wat ze hebben gedaan. Dat ze daar nu vrijuit over kunnen praten, is voor de meeste deelnemers een volstrekt nieuwe ervaring, vertelt socioloog Mechtild Höing. Natuurlijk, ze praten ook met hulpverleners en reclasseringsmedewerkers. ‘Maar die worden ervoor betaald. De vrijwilligers zien ze niet als verlengstuk van de reclassering.’

Höing doet promotieonderzoek naar COSA-cirkels bij het Expertisecentrum Veiligheid van Avans Hogeschool. Een jaar lang volgde ze zeventien pedoseksuelen die aan een cirkel deelnemen. De meesten vonden het een verademing om ook eens over werk of hobby’s te kunnen praten en niet in hulpverlenerstaal te worden toegesproken. Vaak vertelden ze voor het eerst aan gewone mensen waar ze al jaren mee worstelen: kan ik die aardige collega in vertrouwen nemen of raak ik hem dan kwijt? Wanneer vertel ik een nieuwe vriendin dat ik ben veroordeeld wegens misbruik van kinderen?

Schaamte

Als ze merken dat vrijwilligers niet vol afgrijzen afhaken, maakt dat het makkelijker om zichzelf te accepteren en weer iets te ondernemen, blijkt uit Höings onderzoek. ‘Vergeet niet hoe groot de schaamte is. De meeste pedoseksuelen hebben een heel negatief zelfbeeld.’

Stoom afblazen over kleine en grote frustraties helpt ook, zeggen ze. Over de huur die weer is verhoogd of een tegenvallende belastingaanslag. Of na ingrijpende gebeurtenissen. Als een familielid overlijdt. Als buurtbewoners erachter zijn gekomen dat ze kinderen hebben misbruikt. Höing: ‘De meeste mensen hebben vrienden om hun hart te luchten. Als je die niet hebt, kan zo’n kunstmatig netwerk een grote steun zijn en voorkomen dat je helemaal in de stress schiet.’

Bij zes van de zeventien cirkels die Höing onderzocht, werden zorgwekkende signalen ontdekt door vrijwilligers. Zo vertelde een deelnemer dat hij weer meer fantasieën over seks met kinderen had en een camera had gekocht om kinderen te fotograferen. De reclassering sprak met hem af dat de vrijwilligers de camera af en toe mochten controleren. Een ander trok zich steeds meer terug en had tegen de afspraken een internetverbinding aangeschaft. ‘Als vrijwilligers dat soort dingen melden, beslist Reclassering Nederland samen met behandelaars en politie wat er moet gebeuren’, vertelt Van Dartel. ‘Het is niet de bedoeling dat vrijwilligers op de stoel van de reclassering gaan zitten.’

Geen tovermiddel

Een COSA-cirkel pakt niet altijd goed uit. Een van de cirkels stopte al na twee maanden omdat het kernlid opnieuw door de politie werd opgepakt op verdenking van een zedenmisdrijf. Drie andere eindigden voortijdig omdat de ex-zedendelinquent zich niet aan de afspraken hield of zich veroordeeld voelde door de vrijwilligers. ‘Zedendaders zijn extreem gevoelig voor afwijzing’, zegt Höing. ‘Het is lastig om een goede balans te vinden tussen steun geven en laten merken dat sommige dingen niet kunnen.’

COSA-cirkels zijn geen tovermiddel, zegt Erik Jan Kornman. Maar ze bieden wel gezond tegenwicht tegen de steeds sterkere tendens om pedoseksuelen buiten te sluiten. ‘Dat hebben we hard nodig om de behandeling te laten slagen.’ Kornman is gezondheidszorgpsycholoog en gedragstherapeut. Hij behandelt pedoseksuelen bij de forensisch psychiatrische polikliniek de Waag in Utrecht. Op dit moment nemen twee van zijn cliënten deel aan een cirkel. De volkswoede over pedoseksuelen is zo groot geworden dat het de behandeling soms in de weg zit, zegt hij. ‘Als er weer een nieuw incident bekend wordt, kunnen mijn cliënten bijna nergens anders meer over praten.’ Bij drie van hen werden kort geleden eieren tegen de ramen gegooid of muren beklad. Hij vertelt over zedendaders die de hele dag door een kier in de gordijnen loeren of er iets voor hun huis wordt uitgespookt. ‘De angst is enorm. Elke misbruikzaak die groot in het nieuws komt, roept direct reacties op in andere steden en dorpen. Velen hebben de neiging om weg te vluchten.’ Dat betekent een grotere kans dat ze uit beeld raken. Kornman: ‘Als je nachten niet slaapt van de angst, sleep je jezelf niet meer naar therapie. Dat zie ik nu al gebeuren. Wanneer deze mannen hun problemen met niemand kunnen bespreken en zich terugtrekken, verhoog je de kans dat ze terugvallen.’

Zwakke plek

De meerderheid van de pedoseksuele daders is geen pedofiel, legt Kornman uit. Het is niet per se hun seksuele geaardheid die hen er toe drijft om kinderen te misbruiken. ‘Dat is een hardnekkig misverstand.’ Zij hebben kinderen misbruikt, omdat het niet lukte om bevredigende relaties met volwassenen aan te gaan of te onderhouden. Of omdat ze hun emoties niet in de hand hadden. Omdat ze hun behoeftes en problemen met volwassenen niet konden oplossen, hebben ze hun aandacht naar kinderen verschoven. Ook op seksueel gebied. Ze proberen bijvoorbeeld gevoelens van onvrede te verminderen door zich af te leiden met kinderporno of zich aan kinderen te vergrijpen. Kornman: ‘Maar dat wil niet zeggen, dat ze van nature alleen maar op jonge jongens of meisjes vallen. Het blijft een zwakke plek, maar ze kunnen het wel leren hanteren en beheersen.’ Een seksuele relatie met een volwassene kan beschermend werken. Maar ook een sociaal netwerk verlaagt het risico. ‘Een paar mensen waarmee ze leuke dingen kunnen doen en alledaagse problemen bespreken, zo simpel kan het zijn. Bij pedofiele zedendaders, die uitsluitend op kinderen vallen of minder door hun geweten worden gehinderd, is het natuurlijk een stuk lastiger.’

Niet alleen naar binnen

Nu ze hun kernlid wat langer kennen, merken Martin, Els en Robert dat hij meer begint te vertellen. Ook dingen waarvan zij van hun stoel vallen. Dat jonge meisjes donders goed weten wat ze doen als ze pornografische foto’s van zichzelf laten maken bijvoorbeeld. Robert: ‘Dan maken wij duidelijk dat het kinderen zijn, die niet overzien wat de gevolgen van hun daden zijn.’ Als je dat over mijn dochter had gezegd, zou ik woedend zijn geworden, reageerde Els, toen hij beweerde dat jonge meisjes de hele dag bezig zijn met seks.

Martin: ‘Hij vindt dat niet leuk, maar het vertrouwen is nu zo groot dat hij accepteert dat wij hem daarmee confronteren.’

Het opbouwen van een sociaal netwerk blijkt moeilijker. Toen hun kernlid zijn ‘doelen’ op tafel legde, sprongen ze er alle drie bovenop. Hij wilde werk, bezigheden buiten de deur, vrienden, een relatie. ‘Wij zijn hele actieve mensen’, vertelt Els. ‘We maken een goed plan en gaan ervoor, dachten we. Maar wat voor ons de normaalste zaak van de wereld lijkt, is voor hem een grote hobbel.’

Hij wilde gaan bowlen. Toen ze voorstelden dat hij een bowlingbaan zou bellen, begon hij direct terug te krabbelen. Martin: ‘Uiteindelijk hebben wij gebeld. Hij kreeg dat gewoon niet voor elkaar.’ Bij een bezoek aan een café durfde hij niet alleen naar binnen. Het was jaren geleden dat hij in een bar een drankje had besteld.

Els: ‘In het begin hebben we echt geworsteld om hem te begrijpen. Je moet zorgen dat je op hetzelfde niveau komt, aansluit bij zijn leefwereld en niet direct met adviezen op de proppen komt. Dan pas kun je stapjes vooruit zetten en verbetering zien.’

Een brug te ver

Na een jaar hebben ze hem zover dat hij zelf de telefoon pakt en naar de afgesproken plek rijdt. Robert: ‘Soms zit hij al binnen, als wij aankomen. Dat is een enorme overwinning voor hem.’ Gisteren heeft hij Martin voor het eerst een sms-je gestuurd, dat hij een medische ingreep moet ondergaan. Martin: ‘Dat hij dat laat weten, daar ben ik heel blij mee.’

‘Met mij gaat ook alles goed’, zegt Martin weleens. Om hem te laten merken: hallo, vraag ook eens aan een ander hoe het gaat! ‘Ik denk dat er nog nooit iemand is geweest, die hem daarop heeft aangesproken’, zegt Els. ‘Dat zijn kleine dingetjes die we meegeven, om hem te helpen beter contact met mensen te krijgen.’

Of hij ooit een baan vindt, weten ze niet. ‘Misschien is dat een brug te ver.’

Nieuwe vrienden en kennissen maken blijft lastig , ondanks de steun van vrijwilligers, blijkt uit Höings onderzoek. Dat gebeurt bijna niet. ‘Zeker geen mensen die van het misbruik weten. Terwijl het juist zo belangrijk dat pedoseksuelen vrienden hebben die steun geven als het weer moeilijk wordt.’ Ze zucht. ‘We leven nu eenmaal niet in een maatschappij die pedoseksuelen wil omarmen.’

‘We dachten dat anderhalf jaar voldoende zou zijn om de eerste stappen naar een eigen netwerk te zetten’, zegt Van Dartel. ‘Dat was te optimistisch.’ Daarom blijven veel cirkels langer dan anderhalf jaar bestaan. Anderen gaan in de slaapstand en worden weer actief als het nodig is. Van Dartel: ‘Misschien moeten we onze verwachtingen bijstellen. Een nieuwe hobby of weer contact krijgen met een familielid of een oude vriend kan ook heel waardevol zijn.’

Coming out

Pedoseksueel Jean op den Kamp heeft respect voor de vrijwilligers van COSA. Maar hij heeft weinig fiducie in de resultaten van hun werk. ‘Die cirkels leveren pedoseksuelen hooguit een schijnwereld op.’ Volgens hem legt COSA het geheim van pedoseksuelen op het bordje van vrijwilligers. ‘Nu moeten zij gaan draaien en liegen. Je moet die geheimzinnigheid juist doorbreken.’ Pas als buren, collega’s en bekenden weten wat je heb gedaan, kun je weer wat opbouwen, vindt hij. Op den Kamp werd twee keer veroordeeld voor kindermisbruik, het laatst in 1997. Toen hij in 2003 van Limburg naar Goes verhuisde, wist niemand in zijn nieuwe buurt over zijn verleden. Hij nam een krantenwijk en kreeg al snel kennissen. Maar hij moest steeds liegen over vroeger. ‘Mijn nieuwe leven was op drijfzand gebaseerd.’ Zes jaar geleden besloot hij dat hij dat zijn omgeving moest weten wie hij was en wat hij had gedaan. De ggz-instelling waar hij aanklopte voor behandeling en steun bij zijn coming out, wees hem de deur. ‘Wat jij wilt is veel te riskant.’ Pas na een lange zoektocht vond hij een behandelaar die het aandurfde. Zijn omgeving reageerde goed, zegt hij. ‘Ik mocht mijn baan houden en in de buurt is geen wanklank gevallen.’

Op den Kamp zegt veel pedoseksuelen te kennen die worstelen met hun gevoelens en hun geheim zouden willen delen. ‘Ze weten dat ze sneller in de verleiding komen om weer een stapje verder te gaan, als ze er in hun eentje mee blijven zitten.’ Geef hen professionele hulp, zodat ze hun omgeving zorgvuldig kunnen inlichten, zegt hij. Ook als ze niet veroordeeld zijn door de rechter. ‘Nu krijg je vaak pas begeleiding nadat je de fout in bent gegaan. Geen gemeente is bereid om geld uit te trekken voor pedoseksuelen die zich al hun hele leven aan de regels houden.’

Kramp

Ook zouden reclassering en burgemeesters hun oren minder moeten laten hangen naar de schreeuwers. ‘Dat is hooguit 15 procent van de bevolking. Richt je liever op de grote meerderheid die veel genuanceerder over pedoseksuelen denkt.’ Zomaar aan wijkbewoners vertellen dat er een pedoseksueel komt wonen, werkt niet. ‘Dan schieten mensen direct in een kramp: o, jee, hier komt een kinderneuker wonen.’

Afgelopen maand werd Op Den Kamp geïnterviewd in het tv-programma Eén op Eén. Nog diezelfde avond verspreidde de burgemeester van Goes een brief in zijn wijk, waarin stond in welke straat Op den Kamp woont. Een ‘ondoordachte actie die de onrust mobiliseert’, vindt hij. Op de regionale televisiezender riep een kinderpsycholoog ouders uit Goes op om hun kinderen over ‘die pedofiel’ te informeren. ‘Die vrouw had mij nog nooit gesproken. Wat dacht ze hiermee te bereiken?’ Niet dat er woedende buurtbewoners voor zijn huis stonden. Een meisje van een jaar of acht riep: ‘Pledo!’ Dat was alles. ‘Ik word er niet warm of koud van, maar door dit soort onbezonnen acties kruipen veel pedoseksuelen nog verder in hun schulp. Ook al start je vijfhonderd COSA cirkels.’

Geen knuffels

De man die Els, Martin en Robert begeleiden, heeft nog geen nieuwe vrienden gemaakt of oude contacten weer opgepakt. Maar voor zover ze weten, heeft hij geen kinderporno meer gedownload. Hij heeft nog nooit gezegd dat hij het waardeert dat ze hun schaarse vrije tijd aan hem besteden. Heel soms ziet Els dat ze bij het bowlen dezelfde lol hebben, als ze elkaar even aankijken. ‘Dan denk ik: yes! Mijn avond is goed.’

‘Hij hoeft ons geen knuffels te geven’, zegt Martin. ‘Het belangrijkste is dat hij meewerkt, gebruik maakt van onze hulp en niet opnieuw de fout ingaat.’

© Ditty Eimers. Overname van teksten alleen na toestemming. info@dittyeimers.nl